1. De laatste nieuwsbrief van 2017

Hierbij alweer de laatste nieuwsbrief van 2017.

Een jaar dat verder herstel heeft laten zien.
We hebben een nieuw kabinet, met alleen maar debuterende ministers en staatssecretarissen.
Alleen de baas van het kabinet is dezelfde gebleven.
De aandelenkoersen en cryptomunten spurten naar recordhoogte.
De publieke opinie keert zich tegen de rol van Nederland als belastingparadijs. Terecht?
Heeft u zelf alles goed op de rit staan en heeft u de prognose voor 2018 al gemaakt?

Wij zijn zelf in 2017 druk doende geweest om ons personeelsbestand op orde te krijgen. Dat is uiteindelijk gelukt, waar we erg blij mee zijn.

We proberen de processen in het jaarrekeningtraject zo veel mogelijk “lean” in te richten, met als doel de klantwaarde zo groot mogelijk te maken. Dit proces wordt steeds belangrijker.

In 2017 zijn we samen met Frank Stultiens gestart met weer een nieuwe bedrijfstak:
SmitsVandenBroek HR Advies & Personeelsdiensten. Hiermee proberen we onze klanten te ontzorgen op personeelsgebied (“Binden en boeien”) in een tijd waarin het houden en krijgen van personeel steeds belangrijker wordt.

Allemaal ontwikkelingen om het u nog gemakkelijker te maken om te doen waar u goed in bent:
het ondernemen zelf. Wij zien het jaar 2018 dan ook met het volste vertrouwen tegemoet.

Wij danken u voor het in ons gestelde vertrouwen het afgelopen jaar en hopen u nog lang van dienst te mogen zijn.

Tenslotte wensen wij u fijne feestdagen en een prachtig 2018 toe!

Namens directie en medewerkers,

Erwin Simons


2. Belasting besparen met een Fonds voor gemene rekening?

Onlangs verscheen in de Telegraaf een artikel over vermogende particulieren die massaal gebruik maken van een nieuwe route om belasting te besparen en anoniem te blijven. Via een zogeheten Fonds voor gemene rekening omzeilen zij de belasting op vermogen stond er geschreven. Bovendien zijn zij via deze constructie niet terug te vinden in het openbare Handelsregister. Klopt dit?

Fonds voor gemene rekening, wat is dat?
Eigenlijk is dit geen nieuws. Het Fonds voor gemene rekening bestaat al lang en wordt met name gebruikt voor het opzetten van Vrijgestelde beleggingsinstellingen (VBI).
Een fonds voor gemene rekening is een entiteit ‘sui generis’. Dit betekent, dat het een overeenkomst is waarbij participanten vermogen bij elkaar brengen en daarvoor een bewaarder en een beheerder aanstellen. De participanten mogen zelf de rol van beheerder en bewaarder vervullen, maar kunnen er ook speciaal een stichting voor oprichten.
Een fonds voor gemene rekening kan ‘open’ of ‘besloten’ zijn. Bij een open fonds kunnen de participaties verkocht worden aan andere participanten of aan het fonds zelf zonder toestemming van de andere participanten. Bij een besloten fonds is er toestemming nodig van de andere participanten.

Belastingplicht Fonds, open of gesloten en VBI-status
Een open fonds voor gemene rekening is in principe belastingplichtig voor de vennootschapsbelasting en wordt onder andere gebruikt om vermogen van box 3 over te brengen naar box 2. Fiscaal lijkt het dus op een besloten vennootschap, maar een fonds heeft een aantal voordelen.

Het kan ook als entiteit dienen voor de beleggingen van een holding. Als het fonds aan bepaalde voorwaarden voldoet, kan het namelijk ook een VBI-status krijgen waardoor het vrijgesteld is van vennootschapsbelasting.

Een besloten fonds voor gemene rekening is fiscaal transparant. Het fonds is dus niet zelf belastingplichtig, maar de waarde van de participaties wordt bij de participanten belast in box 3. Het fonds wordt meestal gebruikt om familievermogen bijeen te houden. In de fondsvoorwaarden kunnen bepalingen worden opgenomen over zeggenschap, verhandelbaarheid, wie kunnen participeren, etc.

Oprichting
Het oprichten van een open of besloten fonds voor gemene rekening is altijd maatwerk. Vier aandachtspunten:

1. Een fonds voor gemene rekening kan worden opgericht zonder dat hiervoor een notariële akte nodig is. Het is wel raadzaam om een goede adviseur in te schakelen, omdat de voorwaarden bepalen of er sprake is van een open of van een besloten fonds. Dit kan dus een voordeel zijn ten opzichte van een bv. De oprichting van de stichting die de rol van beheerder/bewaarder krijgt, moet wel notarieel gebeuren.

2. Per juli 2017 wordt in Nederland het UBO (Ultimate Beneficairy Owner)-register ingevoerd. Dit register wordt voor iedereen inzichtelijk. Ook het fonds voor gemene rekening moet waarschijnlijk in het UBO-register worden ingeschreven, dit is echter nog niet zeker. Participanten met een belang van meer dan 25% zijn dan zichtbaar. De omvang van het vermogen wordt niet gepubliceerd. Het fonds voor gemene rekening hoeft niet in het Handelsregister van de Kamer van Koophandel te worden ingeschreven. Ten opzichte van de bv en nv is dit dus een voordeel.

3. Een bankrekening voor een fonds voor gemene rekening is niet bij alle banken mogelijk. Sommige banken willen alleen een rekening openen als de bewaarder van het fonds een stichting is. Wees hier dus alert op.

4. Wilt u een fonds gebruiken om de heffing in box 3 te vermijden, kunt u kapitaal inleggen in een fonds. U kunt er ook eenvoudig weer onbelast kapitaal uithalen in tegenstelling tot een bv waar u steeds naar de notaris moet om onbelast kapitaal terug te betalen.

Conclusie
Een fonds voor gemene rekening is geen rechtspersoon maar fiscaal wel vergelijkbaar met een besloten of naamloze vennootschap, waarbij een aantal mensen hun geld bij elkaar leggen en een fondsbeheerder aanstellen. Het is echter vormvrij dus eenvoudiger op te richten.

Zo’n fonds is aantrekkelijk omdat het is vrijgesteld van vermogensbelasting in box 3. Daarvoor in de plaats wordt, afhankelijk van mogelijke vrijstellingen, 25 of 40 procent belasting betaald. Dat kan veel geld schelen: vermogensbelasting wordt geheven over een fictief rendement, terwijl bij een fonds alleen over de werkelijke inkomsten belasting is verschuldigd. Nu de rente erg laag staat, scheelt dat al snel veel geld.

Heel belangrijk is derhalve om het rendement op uw vermogen goed in te schatten, hoe lager hoe voordeliger het fonds ten opzichte van box 3.

Omdat een fonds niet hoeft te worden ingeschreven bij de KvK kan men in anonimiteit beleggen in vergelijking met een bv.

De Belastingdienst bevestigt de trend: er zijn dit jaar al honderden aanvragen voor dergelijke fondsen binnengekomen. Dat is een veelvoud van het aantal aanvragen die ‘over de afgelopen paar jaar in totaal rond de honderd liggen’, aldus de Belastingdienst. Volgens een woordvoerder is de stijging te verklaren doordat fiscaal adviseurs de constructie hebben ontdekt en aanprijzen bij hun klanten.

Op internet circuleren rekenvoorbeelden waarbij het al vanaf 250.000 euro vermogen kan lonen om geld in een fonds voor gemene rekening onder te brengen. Doordat het opzetten van een fonds zonder notaris kan, zijn de kosten veel lager dan voor een bv. Voor mensen wier inkomen voornamelijk bestaat uit rendement op het vermogen, of die in een verzorgingshuis zitten, ligt die grens nog lager. Zij krijgen eerder recht op zorg- of huurtoeslag of gaan minder verplichte eigen bijdrage betalen voor het verzorgingstehuis.

Ter bestrijding van witwassen en terrorismefinanciering wil de EU dat lidstaten een (UBO)register opstellen waaruit duidelijk wordt wie de eigenaren van vennootschappen zijn. Mogelijk blijft het fonds voor gemene rekening buiten dit register, waardoor de belanghebbenden erachter nog steeds anoniem kunnen blijven.

Fondsen voor gemene rekening moeten een fiscaal nummer aanvragen bij de Belastingdienst. De wachttijd voor zo’n aanvraag is inmiddels erg lang. De Belastingdienst is sterker gaan controleren of de aanvragen wel voldoen aan de wettelijke voorwaarden.

Een fonds voor gemene rekening is mogelijk dus fiscaal aantrekkelijk, afhankelijk van uw vermogen en het rendement. De structuur is echter niet nieuw en wordt door ons bij met name VBI al langer toegepast.

Interesse? Neem contact op met Bert Bogie (0495-454444).


3. Belastingplan 2018: op een aantal punten aangepast

Verlaging eigen woning forfait
Het eigen woning forfait (EWF) wordt volgend jaar voor de meeste woningen verlaagd van 0,75% naar 0,7%. Dit als een gevolg van de gestegen prijzen voor woningen en de gestegen huren. Het EWF is het bedrag dat iedere woningeigenaar bij het inkomen moet tellen en is gekoppeld aan de WOZ-waarde van de woning. Mensen zonder aftrek van hypotheekrente hebben nu nog geen EWF, maar dit wordt vanaf 2019 over een periode van 30 jaar afgeschaft.

Inkeren slechts deels afgeschaft
De zogenaamde inkeerregeling wordt vanaf 2018 alleen afgeschaft voor zover het inkomsten uit het buitenland betreft, bijvoorbeeld als een vakantiewoning in Frankrijk niet in box 3 wordt aangegeven. Het was de bedoeling de gehele inkeerregeling af te schaffen, maar dit is via een amendement voorkomen. Dit betekent dat overige verzwegen inkomsten tot twee jaar nadat ze hadden moeten zijn aangegeven, alsnog boetevrij kunnen worden aangegeven.

Cultureel schenken blijvend gestimuleerd
Giften aan culturele instellingen zijn aftrekbaar voor 125%, tot giften van maximaal €5.000. Deze tijdelijke maatregel wordt structureel gemaakt en blijft dus ook de komende jaren van kracht.

Oplossing voor problemen door leenbijstand
Zelfstandigen in financiële nood krijgen vaak via de gemeente een tegemoetkoming in de vorm van een lening. Deze ‘leenbijstand’ geeft problemen op het moment dat het bedrag door de gemeente wordt kwijtgescholden. De problemen worden veroorzaakt doordat de lening als inkomen wordt gezien, waardoor meer belasting moet worden betaald en minder toeslagen verkregen worden. Via een amendement is de regering verzocht voor deze problematiek een oplossing te zoeken.


4. Afschaffing btw-landbouwregeling niet ineens

Per 1 januari 2018 wordt de btw-landbouwregeling afgeschaft. Bent u agrarisch ondernemer (veehouder, tuinbouwer of bosbouwer) dan moet u vanaf dat moment btw berekenen over uw leveringen en diensten, voor zover u dat nu nog niet doet. Om u meer voorbereidingstijd te geven, versoepelt het kabinet de overgang.

Let op!
De afschaffing van de btw-landbouwregeling is nog niet definitief. De Eerste Kamer moet met dit voorstel nog akkoord gaan.

Valt u nu onder de btw-landbouwregeling, dan moet u vanaf 2018 weliswaar weer btw gaan berekenen over uw leveringen en diensten, maar u kunt dan ook de btw over de aan u in rekening gebrachte kosten in aftrek brengen.

Versoepeling
Mogelijk geldt voor u nog een overgangsregeling. Hierdoor kunt u de nog niet-genoten btw-aftrek op investeringsgoederen die u op 1 januari 2018 in gebruik heeft, voor de resterende herzieningsperiode in één keer in aftrek brengen. Dat geldt ook voor alle goederen en diensten die u vóór 1 januari 2018 heeft aangeschaft, maar op die datum nog niet in gebruik heeft genomen. In de oorspronkelijke overgangsregeling stond dat u deze btw-aftrek ‘in-één-keer’ moest doen in uw eerste btw-aangifte van 2018. Dat is nu versoepeld. U mag zelf het belastingtijdvak kiezen waarin u de (gedeeltelijke) btw-aftrek op (investerings)goederen ‘in-één-keer’ wilt effectueren, mits dit maar in 2018 gebeurt. Dat mag dus ook in de btw-aangifte van het laatste kwartaal van 2018. Hierdoor heeft u meer voorbereidingstijd.

Let op!
Voor wat betreft de op 1 januari 2018 nog niet in gebruik genomen goederen en diensten geldt nog het volgende: U moet de btw uiterlijk in aftrek brengen in de btw-aangifte over het belastingtijdvak waarin u de goederen en diensten in gebruik neemt.

Tip:
Wilt u meer weten over deze overgangsregeling, zoals bijvoorbeeld over de resterende herzieningsperiode voor uw investeringsgoederen, of wat de gevolgen van de afschaffing van de btw-landbouwregeling voor u zijn, neem dan contact met ons op.


5. Bundeling kleine pensioenen

De Tweede Kamer is op dinsdag 21 november 2017 akkoord gegaan met het wetsvoorstel Waardeoverdracht klein pensioen. Als ook de Eerste Kamer straks instemt, kunnen pensioenuitvoerders kleine pensioenen vanaf 2019 automatisch aan elkaar overdragen. Op die manier bouwt u, als u meerdere kortlopende dienstverbanden heeft gehad, meer pensioen op en houdt het geld ook zijn pensioenbestemming.

Automatische waardeoverdracht klein pensioen
Vanaf 1 januari 2019 mogen pensioenuitvoerders niet langer zelfstandig besluiten een klein pensioen af te kopen, twee jaar nadat de deelneming aan de pensioenregeling is beëindigd. In plaats van afkoop zullen kleine pensioenen automatisch worden overgedragen naar de nieuwe pensioenuitvoerder. Door die waardeoverdracht worden kleine pensioenaanspraken gebundeld tot één pensioen van een aanzienlijker omvang. Hierdoor groeit uw totale pensioenspaarpot waardoor u uiteindelijk een hogere uitkering ontvangt als u met pensioen gaat.

Let op!
Een klein pensioen is in dit verband een pensioenaanspraak die leidt tot een uitkering vanaf pensioendatum van bruto minder dan € 467,89 per jaar.

Afkoop
Met een zogeheten amendement heeft de Tweede Kamer nog wel geregeld dat een pensioenuitvoerder, na minimaal vijf pogingen tot automatische waardeoverdracht gedurende een periode van minimaal vijf jaar, alsnog het kleine pensioen mag afkopen. De administratieve lasten voor de pensioenuitvoerder zouden anders te veel oplopen en dat is weer nadelig voor alle andere pensioendeelnemers.

Zeer kleine pensioenaanspraken
De nieuwe regels hebben ook gevolgen voor zéér kleine pensioenaanspraken van minder dan € 2 per jaar. Pensioenuitvoerders mogen vanaf 1 januari 2019 deze hele kleine pensioenpotjes laten vervallen. Op dit moment zijn er nog meer dan 200.000 pensioentjes van maximaal € 2 per jaar.


6. Hoeveel blijft er netto over van de eindejaarsbonus?

Aan het einde van het jaar keert u aan uw werknemers wellicht een bonus uit. Deze bedraagt bijvoorbeeld € 15.000 voor werknemer X. Op deze bonus wordt bij X 55,6% belasting ingehouden. Hoe kan dat? Het hoogste belastingtarief is toch 52%?

Schijventarief
In de loonbelasting, maar ook in de inkomstenbelasting, kennen we een zogenaamd schijventarief. Vanaf een bepaald inkomen wordt een bepaald belastingtarief toegepast, welke stijgt naarmate het inkomen hoger is. In 2017 geldt voor zowel de loonbelasting als de inkomstenbelasting voor personen die de AOW-leeftijd nog niet hebben bereikt, het volgende schijventarief:

Schijf Belastbaar inkomen Belasting
1 t/m 19.982 36,55%
2 van 19.983 t/m 67.072 40,8%
3 vanaf 67.073 52%

Op basis van de tarieven zou men verwachten dat bij een inkomen vanaf € 67.073 de belasting over een bonus van € 15.000 inderdaad 52% bedraagt. Dit is echter niet altijd het geval.

Afbouw heffingskortingen
De te betalen belasting wordt namelijk niet alleen bepaald door het toe te passen tarief. Naast dit tarief worden ook zogenoemde heffingskortingen toegepast. Deze kortingen vormen een vermindering op de te betalen belasting. Men zou verwachten dat hierdoor de belastingdruk juist minder dan 52% zou bedragen.

Helaas is dat de laatste jaren niet meer het geval. De bedragen van de arbeidskorting en de algemene heffingskorting worden sinds een aantal jaren namelijk lager naarmate het inkomen hoger wordt. Dit heet de afbouw van de heffingskortingen. Met name vanaf 2016 is die afbouw sterk toegenomen. Zo bedraagt de afbouw van de arbeidskorting in 2017 3,6% voor zover het arbeidsinkomen hoger is dan € 67.073.

Bij de berekening van de belasting over uw reguliere salaris wordt geen rekening gehouden met de hoogte van een eventuele bonus. Door de bonus wordt uw arbeidskorting echter wel met 3,6% verminderd wanneer uw jaarloon meer bedraagt dan € 67.073. Omdat bij de berekening van uw reguliere salaris deze 3,6% vermindering niet is meegenomen, wordt de belastingdruk op uw uitgekeerde bonus hiermee verhoogd. Per saldo betaalt X daarom 55,6 (52% + 3,6%) over uw bonus.

Let op!
Is het salaris lager dan € 67.073 maar hoger dan € 19.938 dan geldt een ander bedrag aan afbouw.

Belasting rekening houdend met afbouw heffingskortingen
Wilt u weten hoe hoog de belastingdruk bij een bepaald inkomen werkelijk is, dan kunt u gebruik maken van de volgende tabel. Deze tabel geldt voor personen die de AOW-leeftijd nog niet hebben bereikt. Hierin is zowel de afbouw van de arbeidskorting als de algemene heffingskorting verwerkt.

Schijf Belastbaar inkomen Belasting
1 t/m 19.982 36,55%
2 van 19.983 t/m 32.444 45,59%
3 van 32.445 t/m 67.072 49,19%
4 van 67.073* t/m 131.730 55,60%
5 vanaf 131.730** 52,00%

*vanaf dit bedrag geen recht meer op algemene heffingskorting
**vanaf dit bedrag geen recht meer op arbeidskorting

Deze tabel laat de verrassende uitkomsten van de afbouw van de heffingskortingen zien. Zo bedraagt de belastindruk op uw inkomen tussen de € 32.445 en € 67.072 niet de 40,8% die uit de normale tabel volgt, maar 49,19%! En ook de inkomsten tussen de € 67.073 en € 131.730 komen er veel slechter af dan voorgesteld. In plaats van de gepresenteerde 52% bedraagt de belastingdruk hier 55,6%!

Let op!
Voor inkomens tot € 18.620 kunt u de tabel niet gebruiken. Voor deze inkomens is de arbeidskorting lager dan het standaardbedrag maar loopt deze op naarmate het inkomen hoger wordt.


7. Heeft u oninbare vorderingen? Vraag btw tijdig terug!

Sinds dit jaar is het eenvoudiger om de btw op oninbare vorderingen terug te vragen. De btw is in ieder geval terug te vragen één jaar nadat de factuur opeisbaar is geworden als de factuur op dat moment nog niet is betaald. Een apart schriftelijk verzoek om teruggaaf is niet meer nodig. Heeft u vorderingen met een uiterste betaaldatum vóór 1 januari 2017, en heeft uw klant deze nog steeds niet betaald, dan worden de vorderingen op 1 januari 2018 aangemerkt als oninbaar. De btw over deze oninbare vorderingen moet u terugvragen in uw eerste btw-aangifte van 2018.
Ligt de uiterste betaaldatum van een oninbare vordering ná 1 januari 2017, dan kunt u de btw over deze vordering terugvragen in de btw-aangifte over het tijdvak waarin duidelijk is dat uw klant niet meer zal betalen. U kunt de btw in ieder geval terugvragen uiterlijk één jaar na de uiterste betaaldatum van de factuur. Let op: als uw klant een oninbare vordering lager alsnog (deels) voldoet, dan moet u de teruggevraagde btw weer terugbetalen aan de Belastingdienst.


8. De inkomensafhankelijke bijdrage Zorgverzekeringswet 2018

Het maximumbijdrage-inkomen voor de Zorgverzekeringswet (Zvw) gaat per 1 januari 2018 omhoog. Ook het percentage van de ‘lage’ inkomensafhankelijke bijdrage Zvw stijgt iets. Per saldo bent u als dga of als ondernemer in de inkomstenbelasting volgend jaar maximaal € 186 meer kwijt aan Zvw dan dit jaar.

Als dga bent u meestal niet verzekerd voor de werknemersverzekeringen. Voor u geldt in 2018 dan een lage bijdrage van 5,65% (2017: 5,40%) over een maximumbijdrageloon van
€ 54.614 (2017: € 53.701). Deze bijdrage geldt ook voor de ondernemer in de inkomstenbelasting. De lage inkomensafhankelijke bijdrage Zvw kan niet meer bedragen dan € 3.085 (2017: € 2.899). Ten opzichte van 2017 is dat dus een stijging van € 186.

Let op!
Werkgevers betalen in 2018 voor hun werknemers de hoge inkomensafhankelijke bijdrage Zvw − de zogenoemde werkgeversheffing Zvw − van 6,90% (2017: 6,65%) over een maximumbijdrageloon van € 54.614.

CONTACT

Laat hier een bericht achter. We nemen zo spoedig mogelijk contact met u op!

Not readable? Change text. captcha txt