1. Wordt BV onaantrekkelijker door verhoging AB-heffing box 2? Nee, zeker niet!

In het regeerakkoord van oktober 2017 is voorgesteld het AB-tarief in de inkomstenbelasting van thans 25%, de heffing in box 2 op uitgekeerde winst uit een BV, stapsgewijs te verhogen naar 28,5%. Wordt de BV hierdoor onaantrekkelijker? Mijn conclusie is zeker niet, juist aantrekkelijker. Maar let op ‘oude’ winsten: keer deze tijdig uit aan de directeur-aandeelhouder (DGA).

Voorspellingen Centraal Planbureau

Het Centraal Plan Bureau (CPB) voorspelt dat de BV onaantrekkelijker wordt en dat dit de schatkist veel geld gaat kosten. Op korte termijn is dit laatste wel waar, immers het wordt aantrekkelijk om geplande winstuitkeringen verder uit te stellen naar de toekomst. Maar het totale plaatje bekijkend blijft de BV fiscaal aantrekkelijk. Hoe komt dat?

Kern van de stelling van het planbureau is dat verwacht wordt dat kleinere fiscale veranderingen geen grote invloed zullen hebben op de keuze voor een rechtsvorm. In de meeste gevallen gaat het dan om een keuze tussen eenmanszaak of BV.

Het CPB stelt dat drie jaar na de start van een bedrijf nog geen procent van de ondernemers voor een andere rechtsvorm kiest. Eens gekozen, blijft gekozen zou het devies zijn. Veel politici zitten momenteel in hun maag met de in het regeerakkoord overeengekomen verhoging van de inkomstenbelasting op aanmerkelijk belang. Die AB-heffing is nu nog 25%, maar moet naar 28,5% in 2021.

Verhoging AB-tarief versus verlaging vennootschapsbelasting

Tegenover de verhoging van het AB-tarief in de inkomstenbelasting staat een verlaging van de vennootschapsbelasting (Vpb) in dezelfde periode van 20% naar 16%. Een DGA heeft te maken met twee heffingen over in de BV behaalde winsten: de vennootschapsbelasting en over de netto winst de AB-heffing in de inkomstenbelasting. Cumulatief is deze thans in de eerste schijf 20% Vpb + 25% AB, waardoor je netto in privé 40% overhoudt. Daarnaast ontvangt de DGA een loon dat ‘gebruikelijk’ moet zijn en progressief belast wordt in box 1. Gebruikelijk voor iemand in zijn functie, die in loondienst is, waarvan de DGA 25% van mag afwijken, met een minimum van € 45.000.

Vooropgesteld dat de winst boven het loon van de DGA uitstijgt, wordt deze straks in BV tegen nog slechts tegen 16% belast. De AB-heffing gaat dan weliswaar omhoog, maar resulteert per saldo ook weer in ongeveer 40% netto in privé. Ten opzichte van de huidige situatie is dit zeker een verbetering, omdat er in eerste instantie meer liquiditeit overblijft in de BV.

Daarentegen moet men bij een eenmanszaak over de volledige winst direct progressief afrekenen, oplopend tot 52%. Wel moet men boven een winstniveau uitkomen van circa € 125.000 wil een BV fiscaal voordeliger zijn, omdat in de inkomstenbelasting nog steeds de zelfstandigenaftrek en MKB-winst vrijstelling (14%) geldt. De zelfstandigenaftrek wordt echter in de toekomst slechts aftrekbaar tegen maximaal 36,9% en wordt ook verlaagd, zodat het omslagpunt bij een lager winstniveau komt te liggen.

Een kanttekening is wel dat winsten die belast zijn onder het hoge Vpb-tarief en nog niet zijn uitgekeerd straks ook belast worden met 28,5% bij een dividenduitkering. Cumulatief komt de uiteindelijke heffing dan op 42,8% in plaats van 40%. Te overwegen is dus om oude winstreserves voor de eerste verhoging in 2020 (van 25% naar 27,3%) uit te keren.

Toch kritiek op verhoging AB-tarief

Ondanks dat de combinatie verlaging Vpb en verhoging AB niet nadelig uitpakt, is er toch kritiek op de verhoging van het AB-tarief naar 28,5%. De belangrijkste motivatie is dat enkel de grotere bedrijven, niet zijnde familiebedrijven, en multinationals, profiteren van de wijzigingen. Zij hebben immers enkel te maken met de Vpb die verlaagd wordt, ook in de hoogste schijf, van 25% naar 21%. Daarnaast wordt de dividendbelasting mogelijk afgeschaft, waarvan de aandeelhouders in het buitenland ook nog eens profiteren. Voor de DGA in Nederland heeft dit laatste ook geen effect, deze blijft 28,5% in de inkomstenbelasting betalen.

Het MKB (familiebedrijf) is de grootste motor van de economie en de DGA’s profiteren dus niet of nauwelijks van de belastingverlagingen is de redenering. Sterker nog, over ‘oude’ winsten betalen ze meer belasting bij uitdeling na 2020.

Wilt u vrijblijvend sparren over deze DGA-problematiek, neem dan contact met mij op.


2. Zieke werknemer, goed verzuimbeheer is essentieel!

Als een werknemer langer dan zes weken ziek is, gaat de Wet verbetering poortwachter (WVP) een rol spelen. Het doel van deze wet is zieke werknemers zo veel mogelijk te re-integreren in het arbeidsproces, zodat ze geen of minder uitkering hoeven aan te vragen. De eindverantwoordelijke voor de re-integratie is altijd de werkgever.

Re-integratie

In het kader van de re-integratie moet de werkgever zijn uiterste best doen om de werknemer te re-integreren, in eerste instantie in zijn eigen werk, of anders in een andere functie of bij een andere organisatie. Ondertussen moet hij het loon van de werknemer doorbetalen tijdens de re-integratie. De werkgever heeft er dus alle belang bij dat de re-integratie een succes is, zodat de werknemer weer aan het werk gaat. De werkgever doet er verstandig aan om zich tijdens het re-integratieproces te laten ondersteunen door de bedrijfsarts. Hij mag ook andere deskundigen inschakelen.

Plan van aanpak voor re-integratie

De basis voor de re-integratie is het plan van aanpak voor re-integratie, dat werkgever en zieke werknemer samen opstellen. Hiervoor gebruiken ze het re-integratieadvies van de bedrijfsarts, waarin de arts heeft vastgesteld wat de ziekte of aandoening van de werknemer betekent voor het werk dat hij kan doen (zijn belastbaarheid). Als het na twee jaar niet gelukt is om de werknemer weer aan het werk te krijgen, krijgt de werknemer mogelijk een WIA-uitkering.

Verzuimbeheer: belangrijk!

Er zijn nadelen/risico’s als u geen goed verzuimbeheer heeft: denk o.a. aan boetes bij UWV bij geen correcte opvolging Wet Poortwachter en dossieropbouw, sancties van de arbeidsinspectie bij incidenten/controles, te lange afwezigheid van de werknemer in het arbeidsproces.
Wij regelen een goede begeleiding voor u als ondernemer op het gebied van de re-integratie en ontzorgen daar waar kan, dit middels een professionele gecertificeerde arbodienst.

Verzuimbeheer is nu ook onderdeel van SmitsVandenBroek HR Advies & Personeelsdiensten


3. Controleer gegevens op de jaaropgaven 2017

Als werkgever moet u aan uw werknemers na afloop van het jaar een jaaropgaaf verstrekken. Die jaaropgaaf is vormvrij. Er moeten echter wel een aantal verplichte gegevens op staan.

Jaaropgaaf 2017
De jaaropgaaf aan uw werknemers bevat altijd een aantal verplichte gegevens. Uw werknemer heeft deze nodig voor zijn aangifte inkomstenbelasting. De meeste gegevens van de jaaropgaaf staan op de loonstaat van de werknemer.

De Belastingdienst heeft een model jaaropgaaf voor 2017 die u kunt gebruiken. U bent dit echter niet verplicht. De jaaropgaaf is namelijk vormvrij. Heeft u de salarisadministratie geautomatiseerd, dan bevat het salarispakket ook een jaaropgaaf voor uw werknemers.

Check de gegevens
Gebruikt u niet het model van de Belastingdienst, dan moet u er wel voor zorgen dat alle gegevens die op deze model jaaropgaaf staan, ook terugkomen op de jaaropgaaf die u aan uw werknemers verstrekt. Het is niet onverstandig om dit te checken. Uw jaaropgaaf moet, naast de naw-gegevens (naam, adres, woonplaats) van de werknemer en de werkgever, in ieder geval de volgende cumulatieve gegevens over 2017 bevatten:

        1. Loon voor de loonbelasting/volksverzekeringen
        2. Ingehouden loonheffing
        3. Verrekende arbeidskorting
        4. Of de loonheffingskorting wel of niet is toegepast en met ingang van wanneer
        5. Burgerservicenummer werknemer
        6. Loon voor de Zorgverzekeringswet
        7. Ingehouden bijdrage Zorgverzekeringswet
        8. Verrekende levensloopverlofkorting
        9. Totaal premies werknemersverzekeringen
        10. Werkgeversheffing Zorgverzekeringswet

Tip:
Ook de laatste loonstrook van het jaar kan dienen als jaaropgaaf. Daar moeten dan wel de cumulatieve verplichte gegevens op staan. Bovendien moet u aan uw werknemer laten weten welke gegevens op deze laatste loonstrook van 2017 tezamen de jaaropgaaf vormen.


4. Nieuw: Jeugd-LIV. Jaarlijkse tegemoetkoming bij jonge minimumloners

Het jeugd-LIV is een nieuwe, jaarlijkse tegemoetkoming voor werkgevers in verband met de verhoging van het minimumjeugdloon. Dat betekent extra loonkosten voor werkgevers. Daarom krijgen werkgevers vanaf 1 januari 2018 het jeugd-LIV voor werknemers die aan de voorwaarden voldoen.

Voorwaarden jeugd-LIV
Een werkgever heeft recht op het jeugd-LIV voor elke werknemer die voldoet aan deze drie voorwaarden:

        • De werknemer is verzekerd voor de werknemersverzekeringen.
        • De werknemer heeft een gemiddeld uurloon dat hoort bij het wettelijke minimumjeugdloon voor zijn leeftijd.
        • De werknemer was op 31 december van het voorafgaande jaar 18, 19, 20 of 21 jaar.

Het gemiddelde uurloon is het loon uit dienstbetrekking van een jaar, gedeeld door het aantal verloonde uren in dat jaar.

Bedragen jeugd-LIV
Heeft een werkgever voor een werknemer recht op het jeugd-LIV? Dan krijgt de werkgever een bedrag per verloond uur. Het bedrag per uur verschilt per leeftijd. Hoeveel het voordeel precies is, hangt af van zowel het aantal verloonde uren als van de leeftijd van de werknemer.

Leeftijd op 31-12-2017 Jeugd-LIV per werknemer per verloond uur Maximaal jeugd-LIV per werknemer per jaar
18 jaar € 0,23 € 478,40
19 jaar € 0,28 € 582,40
20 jaar € 1,02 € 2.121,60
21 jaar € 1,58 € 3.286,40

In 2018 is het jeugd-LIV 1,5 keer zo hoog als in 2019. Dit komt omdat het minimumjeugdloon per 1 juli 2017 werd verhoogd, terwijl het jeugd-LIV pas per 1 januari 2018 is ingevoerd.

De eis van minimaal 1.248 verloonde uren van het LIV geldt niet voor het jeugd-LIV.

Bbl-leerling
Een werkgever die gebruik maakt van bbl-leerlingen kan ook in aanmerking komen voor het jeugd-LIV. De werkgever krijgt deze tegemoetkoming als hij de bbl-leerling betaalt volgens het wettelijk minimumjeugdloon dat hoort bij zijn leeftijd. De werkgever mag de bbl-leerling ook minder betalen dan het wettelijk minimumjeugdloon. Doet hij dat, dan is er geen recht op jeugd-LIV.

Let op!
Indien de werkgever in de loonaangifte onjuiste gegevens heeft opgenomen, terwijl het voor de toepassing van deze wet van belang is dat deze juist zijn, kan hem een bestuurlijke boete van maximaal € 1.319 per gegeven per werknemer per jaar worden opgelegd.

Let op!
Bij de premiekortingen bestond de mogelijkheid om achteraf alsnog een korting te claimen als men dit vergeten was. Voor de loonkostenvoordelen geldt dit niet! Als niet op tijd aan de vereisten wordt voldaan, kan achteraf geen beroep meer worden gedaan op een loonkostenvoordeel. Het op tijd signaleren van de mogelijkheden is dus van groot belang.


5. Eigenwoningverleden partner? Toch meer hypotheekaftrek

Partners die gezamenlijk een nieuwe woning kopen, mogen hun eigenwoningverleden bij helfte verdelen. De staatssecretaris van Financiën heeft dit onlangs goedgekeurd. Afhankelijk van de situatie kan hierdoor mogelijk een hoger bedrag aan eigenwoningschuld in box 1 worden meegenomen met als resultaat meer hypotheekrenteaftrek.

Complex
De eigenwoningregeling zit complex in elkaar. Zo is sinds 2001 de rente voor een eigenwoninglening (hypotheek) nog maar maximaal 30 jaar aftrekbaar. Met ingang van 2013 zijn de regels verder aangescherpt. Voor een eigenwoninglening afgesloten vanaf die tijd geldt dat de rente alleen aftrekbaar is als de lening in maximaal 30 jaar volledig en ten minste annuïtair wordt afgelost. En verkoopt u uw eigen woning met winst, dan krijgt u sinds 2004 te maken met een eigenwoningreserve.

Eigenwoningsverleden
Wie zijn oude woning verkoopt en met zijn partner een nieuwe woning koopt, loopt dus al snel aan tegen een eigenwoningverleden. Dat verleden kan resulteren in minder hypotheekrenteaftrek voor de nieuwe woning.

Goedkeuring onder voorwaarden
Omdat sprake is van een niet-beoogde beperking van de hypotheekrenteaftrek keurt de staatssecretaris goed dat partners het eigenwoningverleden voor de helft aan elkaar overdragen. Er geldt wel een aantal voorwaarden. Zo moeten partners de eigen woning aankopen in een 50/50-verhouding en ook de eigenwoningschuld moet in die 50/50-verhouding worden aangegaan. Bovendien moeten beiden een beroep doen op deze goedkeuring en de verdeling voor de helft van het eigenwoningverleden is definitief. Dit kan dus niet meer in een later belastingjaar worden teruggedraaid.

Tip:
Bekijk samen met uw adviseur of het in uw situatie gunstig is een beroep te doen op de goedkeuring. Ook wanneer u niet voldoet aan de 50/50-verhouding komt u hier mogelijk voor in aanmerking. U moet uw situatie dan wel voorleggen aan de Belastingdienst. De goedkeuring werkt terug tot en met 2013. Voor de sinds die tijd reeds definitief vaststaande belastingjaren, kunt u nog een verzoek indienen


6. Afhandeling bezwaren crisisheffing gestart door Belastingdienst

Werkgevers die bezwaar hebben gemaakt tegen de crisisheffing en zich met een vaststellingsovereenkomst hebben aangesloten bij de proefprocedures over deze heffing, kunnen nog deze maand een brief verwachten van de Belastingdienst. Inmiddels hebben de Hoge Raad en het Europees Hof voor de Rechten van de Mens geoordeeld dat de bezwaren ongegrond zijn.

Crisisheffing
De crisisheffing was een heffing die in 2013 en 2014 werd geheven van werkgevers die werknemers in dienst hadden die in het daaraan voorafgaande jaar een loon genoten hoger dan € 150.000. De heffing bedroeg 16% van het deel van het loon boven € 150.000.

Veel werkgevers hebben destijds bezwaar gemaakt tegen de crisisheffing. Zij hebben zich met een vaststellingsovereenkomst aangesloten bij proefprocedures over deze werkgeversheffing. Daarnaast zijn er werkgevers die wel bezwaar hebben gemaakt, maar zich niet hebben aangesloten bij de proefprocedures.

Bezwaar ongegrond
De Hoge Raad heeft op vrijdag 29 januari 2016 al een eindoordeel gegeven in één van de proefprocedures over de crisisheffing en deze in stand gelaten. Volgens de Hoge Raad had de wetgever destijds voldoende specifieke en dringende redenen om de crisisheffing in te voeren. Nederland kampte toen met ernstige begrotingsproblemen. De crisisheffing is niet in strijd met nationale en Europese wetgeving.

Eind 2017 heeft het Europees Hof voor de Rechten van de Mens zich in twee proefprocedures uitgelaten over de crisisheffing. Volgens dit Hof is de crisisheffing niet in strijd met het eigendomsrecht en het antidiscriminatiebeginsel.

Met deze uitspraken van de Hoge Raad en het Europees Hof voor de Rechten van de Mens zijn de bezwaren tegen de crisisheffing in proefprocedures door de hoogste rechters beoordeeld en afgewezen.

Afhandeling bezwaar
Dat betekent dat de Belastingdienst start met de afhandeling van de bezwaren tegen de crisisheffing. Heeft u zich destijds met een vaststellingsovereenkomst aangesloten bij de proefprocedures, dan kunt u nog deze maand een brief verwachten van de Belastingdienst. In de betreffende vaststellingsovereenkomst is namelijk opgenomen dat voor een beslissing op bezwaar de uitspraken in de proefprocedures voor de Belastingdienst beslissend zijn.

Let op!
Ontvangt u een brief van de Belastingdienst neem dan even contact met ons op. Doe dat ook als u geen brief ontvangt. Voor een uitspraak op bezwaar moet dan zelf contact worden opgenomen met de Belastingdienst.

Heeft u destijds bezwaar gemaakt tegen de crisisheffing zonder vaststellingsovereenkomst, dan ontvangt u geen brief van de Belastingdienst. Voor u gelden namelijk de ‘normale’ regels van bezwaar en beroep. Het kan zijn dat de rechter in een enkele individuele procedure nog tot een ander oordeel komt als de crisisheffing voor de procederende werkgever heeft geleid tot een individuele en buitensporige last.


7. Reken deze maand de WKR af!

Binnen de WKR mag u als werkgever maximaal belastingvrij 1,2% van het totale fiscale loon besteden aan onbelaste vergoedingen, verstrekkingen en terbeschikkingstellingen voor uw werknemers. Dit wordt de ‘vrije ruimte’ genoemd. Over het bedrag boven de vrije ruimte betaalt u wel loonbelasting in de vorm van een eindheffing van 80%. Bent u de eindheffing WKR verschuldigd, dan moet u deze eindheffing aangeven in en betalen bij uw eerste aangifte loonheffingen over 2018. De uiterste aangifte- en betaaldatum van deze aangifte is 28 februari 2018.

Heeft u in 2017 de eindheffing WKR al per aangiftetijdvak aangegeven en betaald? Bekijk dan of u niet teveel of te weinig heeft betaald. De teveel of te weinig betaalde eindheffing WKR moet u verrekenen uiterlijk in de eerste aangifte loonheffingen over 2018.


8. Verwacht, optimistisch en pessimistisch scenario pensioen

Weet u wat u straks aan pensioen ontvangt? Pensioenuitvoerders communiceren nu nog één bedrag als het ‘te bereiken pensioen’, maar hoeveel u in de toekomst maandelijks daadwerkelijk aan pensioen ontvangt kan mee- of tegenvallen. Voor een realistischer beeld krijgt u daarom vanaf 2019 drie bedragen te zien. Deze zijn gebaseerd op een verwacht scenario, een optimistisch scenario en een pessimistisch scenario. Deze drie scenariobedragen worden vanaf medio 2019 getoond op www.mijnpensioenoverzicht.nl. Deze bedragen worden vanaf 2019 ook weergegeven op het uniforme pensioenoverzicht (UPO) dat u jaarlijks van de pensioenuitvoerder of verzekeraar ontvangt.

CONTACT

Laat hier een bericht achter. We nemen zo spoedig mogelijk contact met u op!

Not readable? Change text. captcha txt