1. Door verhoging AB-heffing box 2 BV onaantrekkelijker? Nee, zeker niet!

In het regeerakkoord is voorgesteld het AB-tarief in de inkomstenbelasting van thans 25%, de heffing in box 2 op uitgekeerde winst uit een BV, stapsgewijs te verhogen naar 28,5%. Wordt de BV hierdoor onaantrekkelijker? Mijn conclusie is zeker nee, juist aantrekkelijker. Maar let op ‘oude’ winsten, keer deze tijdig uit aan de directeur-aandeelhouder (DGA).

Centraal Planbureau
Het Centraal Plan Bureau (CPB) voorspelt dat de BV onaantrekkelijker wordt en dat dit de schatkist veel geld gaat kosten. Op korte termijn is dit laatste wel waar, immers wordt het aantrekkelijk de winst later uit te keren. Maar het totale plaatje bekijkend wordt de BV fiscaal aantrekkelijk. Hoe komt dat?

Kern van de stelling van het planbureau is dat verwacht wordt dat kleinere fiscale veranderingen geen grote invloed zullen hebben op de keuze voor een rechtsvorm. In de meeste gevallen een keuze tussen eenmanszaak of BV dus.

Het CPB stelt dat drie jaar na de start van een bedrijf nog geen procent van de ondernemers voor een andere rechtsvorm kiest. Eens gekozen, blijft gekozen zou het devies zijn. De algemene opinie zit momenteel in zijn maag met de in het regeerakkoord overeengekomen verhoging van de inkomstenbelasting op aanmerkelijk belang. Die is 25%, maar moet naar 28,5% in 2021.

Verhoging AB-tarief versus verlaging vennootschapsbelasting
Tegenover de verhoging van het AB-tarief in de inkomstenbelasting staat een verlaging van de vennootschapsbelasting (Vpb) in dezelfde periode van de 20% naar 16%.
Een DGA heeft te maken met twee heffingen over in de BV behaalde winsten: de vennootschapsbelasting en over het netto saldo de AB heffing in de inkomstenbelasting. Cumulatief is deze thans in de eerste schijf 20% Vpb + 25% Ib, tezamen derhalve 40%. Daarnaast ontvangt de DGA een loon dat ‘gebruikelijk’ moet zijn en progressief belast wordt in box 1. Gebruikelijk voor iemand in zijn functie, die in loondienst is, met een minimum van € 44.000 per jaar. Het loon van de DGA mag hier 25% van afwijken.

Vooropgesteld dat de winst boven het loon van de DGA moet uitstijgen, wordt dit straks in BV tegen nog slechts 16% belast. De AB-heffing gaat dan weliswaar omhoog, maar resulteert per saldo ook weer in ongeveer 40%. Te opzichte van de huidige situatie derhalve zeker een verbetering, omdat er in eerste instantie meer liquiditeit overblijft in de BV.

In vergelijking met een eenmanszaak moet men over de volledige winst direct progressief afrekenen, oplopend tot bijna 52%. Wel moet men boven een winstniveau uitkomen van circa € 125.000 wil een BV fiscaal voordeliger zijn, omdat in de inkomstenbelasting nog steeds de zelfstandigenaftrek en MKB-winst vrijstelling (14%) geldt. De zelfstandigenaftrek wordt echter in de toekomst slechts aftrekbaar tegen maximaal 36,9% en wordt ook verlaagd, zodat het omslagpunt lager komt te liggen.

Laatste kanttekening is wel dat winsten die belast zijn onder het hoge Vpb tarief en nog niet zijn uitgekeerd straks ook belast worden met 28,5% bij een dividenduitkering. Cumulatief komt de heffing dan op 42,8% in plaats van 40%. Te overwegen dus om oude winstreserves voor de eerste verhoging in 2020 (27,3%) uit te keren.

Toch kritiek op verhoging AB-tarief
Ondanks dat de combinatie verlaging Vpb en verhoging AB niet nadelig uitpakt, is er toch kritiek op de verhoging van het AB-tarief naar 28,5%. De belangrijkste motivatie is dat enkel de grotere bedrijven, niet zijnde familiebedrijven en multinationals, profiteren van de wijzigingen. Zij hebben immers enkel te maken met de Vpb die verlaagd wordt, ook in de hoogste schijf, van 25% naar 21%. Daarnaast wordt de dividendbelasting mogelijk afgeschaft, waardoor de aandeelhouders ook nog eens profiteren. Voor de DGA heeft dit laatste ook geen effect, deze blijft 28,5% in de inkomstenbelasting betalen.

Het MKB (familiebedrijf) is de grootste motor van de economie en de DGA’s profiteren dus niet of nauwelijks van de belastingverlagingen is de redenering. Sterker nog, over ‘oude’ winsten betalen ze meer belasting bij uitdeling na 2020.


2. Nieuw: Loonkostenvoordelen in plaats van premiekortingen

Met ingang van 1 januari 2018 worden de premiekortingen oudere werknemer en arbeidsgehandicapte werknemer vervangen door een loonkostenvoordeel (LKV). Dit levert u een aantrekkelijke tegemoetkoming op als u een uitkeringsgerechtigde oudere in dienst neemt of iemand met een arbeidsbeperking. Mogelijk moet u dit dan nog wel veiligstellen in 2017.

Loonkostenvoordelen
Met ingang van 2018 zijn er vier nieuwe loonkostenvoordelen (LKV’s) voor werkgevers. In uw aangifte loonheffingen kunt u, mits voldaan aan de voorwaarden, een verzoek doen voor de volgende tegemoetkomingen:

  • LKV oudere werknemer (56+)
  • LKV arbeidsgehandicapte werknemer
  • LKV doelgroep banenafspraak en scholingsbelemmerden
  • LKV herplaatsen arbeidsgehandicapte werknemer

De loonkostenvoordelen vervangen de premiekorting oudere werknemer en de premiekorting arbeidsgehandicapte werknemer. De premiekorting jongere werknemer wordt niet vervangen en vervalt dus definitief per 1 januari 2018.

Let op!
De voorwaarden waaraan moet worden voldaan verschilt per loonkostenvoordeel. Voor alle LKV’s geldt dat de werkgever voor de werknemer een doelgroepverklaring moet hebben.

Vergoeding
Hoeveel loonkostenvoordeel u ontvangt, hangt af van de doelgroep waartoe uw werknemer behoort. Betreft het een oudere werknemer (56 jaar of ouder), een arbeidsgehandicapte werknemer of is sprake van de herplaatsing van een arbeidsgehandicapte werknemer, dan bedraagt het maximale loonkostenvoordeel per kalenderjaar voor die werknemer € 6.000 voor maximaal drie jaar. Betreft het een werknemer uit de doelgroep banenafspraak en scholingsbelemmerden dan is het loonkostenvoordeel maximaal € 2.000 voor maximaal één jaar.

Veiligstellen
Voldoen u en de werknemer aan alle voorwaarden en heeft u in uw administratie een doelgroepverklaring, dan kunt u in de aangifte loonheffingen van 2018 het betreffende loonkostenvoordeel aanvragen. U doet dit door in de loonaangifte de indicatie ‘LKV’ op ‘ja’ te zetten. In 2019 stelt de Belastingdienst het definitieve loonkostenvoordeel voor 2018 vast.

Tip:
Zorg dat u voor het einde van 2017 voldoet aan alle formaliteiten, om in 2018 te kunnen profiteren van de loonkostenvoordelen.

Heeft u nu recht op een premiekorting oudere werknemer of een premiekorting arbeidsgehandicapte werknemer dan heeft u vanaf 2018 mogelijk ook recht op een loonkostenvoordeel. Dat moet u dan nog wel dit jaar veiligstellen. Dit doet u door ervoor te zorgen dat u in de laatste aangifteperiode van 2017 de premiekorting toepast.

Tip:
Wilt u meer weten over de vanaf 2018 geldende loonkostenvoordelen, de voorwaarden die hieraan verbonden zijn en hoe u hiervoor in aanmerking komt, neem dan contact met ons op.


3. Strengere privacyregels per 25 mei 2018: neem nu maatregelen!

Op 25 mei 2018 treedt de Algemene verordening gegevensbescherming (AVG) in werking. Deze Europese privacywet bevat de regels voor het (automatisch) verwerken van persoonsgegevens. Wat betekent de komst van de AVG voor u?

De AVG volgt de Nederlandse Wet bescherming persoonsgegevens op en is meer toegespitst op de gedigitaliseerde samenleving. De AVG is aanzienlijk strenger dan zijn Nederlandse voorganger. Bedrijven en instellingen die persoonsgegevens verwerken krijgen meer verplichtingen. Meer dan ooit zult u als bedrijf moeten laten zien dat u zich aan de wet houdt. Onder de AVG moet u met specifieke documenten kunnen aantonen dat u de juiste organisatorische en technische maatregelen heeft genomen om aan de regels te voldoen. Dit wordt de ‘verantwoordingsplicht’ genoemd.

Voor wie?
De nieuwe Europese privacywet geldt voor alle bedrijven en instellingen die persoonsgegevens verwerken. Het gaat dus niet alleen om grote bedrijven. Ook kleinere bedrijven en zzp’ers moeten zich aan de AVG houden. In de praktijk krijgt vrijwel iedereen te maken met de AVG, want ook de meest gangbare gegevens vallen onder het bereik van de nieuwe wet. Voorbeelden zijn opgeslagen afspraken en telefoonnummers van klanten, en personeelsinformatie.

Harmonisering
Naast een betere privacybescherming voor burgers, biedt de AVG ook voordelen voor bedrijven. Dat komt door de harmonisering waarvoor de AVG zorgt. Er geldt straks nog maar één privacywet in de EU, in plaats van 28 verschillende nationale wetten. Bent u in meerdere EU-landen actief? Dan gaat u er in meerdere opzichten op vooruit. U heeft minder administratieve kosten en nalevingskosten, doordat onder de AVG in alle lidstaten dezelfde wetgeving geldt. Ook heeft u meer rechtszekerheid en voorkomt de AVG dat bedrijven het in het ene land makkelijker hebben dan in het andere. Verder heeft u nog maar met één toezichthouder te maken.

Stappenplan
De AVG zal de privacyrechten van mensen scherper waarborgen. Tegelijk zullen burgers zich steeds bewuster worden van hun privacyrechten en daar eerder voor opkomen. Er wordt dus het nodige van u gevraagd. De AVG biedt u instrumenten die helpen om de wet na te leven, zoals modelbepalingen voor het doorgeven van persoonsgegevens. Het is uiteraard zaak om goed voorbereid te zijn op de komst van de nieuwe regels. We raden u dan ook aan om tijdig na te gaan of uw processen, diensten en producten voldoen aan de AVG. Een eerste aanzet daartoe is te vinden op de website van de Autoriteit Persoonsgegevens. Op deze website vindt u een stappenplan dat u een aardig eind op weg helpt.


4. Het nieuwe huwelijksvermogensrecht in de praktijk

Vanaf 1 januari van dit jaar zijn er nieuwe regels als u gaat trouwen. Dan geldt namelijk de beperkte gemeenschap van goederen voor iedereen die gaat trouwen en geen huwelijkse voorwaarden heeft opgesteld. Wat is er veranderd?

Wat betekent dat een beperkte gemeenschap van goederen? En in welk opzicht wijkt dat af van de wettelijke regeling die voorheen gold, de algehele gemeenschap van goederen?

Drie vermogens
Bij een beperkte gemeenschap van goederen, zijn er drie vermogens in plaats van één gemeenschapsvermogen, namelijk: twee privévermogens en het gemeenschappelijk vermogen. De beperkte gemeenschap omvat alle gezamenlijke goederen en gezamenlijke schulden die echtgenoten vóór het huwelijk al hadden en alle goederen en schulden die zij vanaf aanvang van de gemeenschap tot aan de ontbinding van de gemeenschap verkrijgen of maken, met uitzondering van erfenissen of schenkingen. Het privévermogen en de privéschulden van vóór het huwelijk vallen buiten de beperkte gemeenschap.

Vaker privé
Het feit dat er nu standaard drie vermogens zijn, maakt dat u eerder te maken kunt krijgen met de zogenaamde vergoedingsrechten. Hiermee wordt bijvoorbeeld de situatie bedoeld dat privégeld, zoals een ontvangen erfenis, is geïnvesteerd in een gemeenschappelijk goed, zoals de gezamenlijke echtelijke woning en dit bedrag vergoed dient te worden door de gemeenschap aan de echtgenoot die de investering gedaan heeft. Onder de oude wetgeving was dit alleen aan de orde voor zover er sprake is van een erfenis die verkregen is onder een uitsluitingsclausule. Dat wil zeggen dat de overledene in een testament uitdrukkelijk had bepaald dat de erfenis niet in enige gemeenschap zal vallen.

Let op!
Nu is het maken van een uitsluitingsclausule door een erflater niet meer nodig. Nu kan wel een insluitingsclausule of gemeenschapsclausule worden gemaakt, indien de erflater wil dat de partner van de erfgenaam ook erft.

Ondernemingsvermogen
Voorhuwelijks ondernemingsvermogen valt buiten de gemeenschap. Als u als ondernemer trouwt, valt uw onderneming dus niet in de beperkte gemeenschap. Veel discussie valt te verwachten ten aanzien van de huidige wettelijke bepaling die ’een redelijke vergoeding’ voor kennis, vaardigheden en arbeid in het kader van die voorhuwelijkse onderneming voorschrijft. De vergoeding wordt voldaan aan de gemeenschap. De vergoeding is aan de orde voor zover een dergelijke vergoeding niet al op andere wijze ten bate van beide echtgenoten komt of is gekomen. Onduidelijk en onzeker is wat een redelijke vergoeding is en hoe dit bepaald wordt. De huidige wet geeft op dit punt weinig rechtszekerheid. Op het moment dat rechters hierover gaan beslissen, ontstaan er mogelijk richtlijnen. Lastig blijft in hoeverre gevallen met elkaar vergelijkbaar zullen zijn.

De regeling betreffende de redelijke vergoeding geldt zowel voor een eenmanszaak als voor maatschap, vennootschap onder firma, besloten vennootschap of naamloze vennootschap. Bij een eenmanszaak is echter geen sprake van afgescheiden vermogen. Ten aanzien van de andere ondernemingsvormen (buiten de eenmanszaak) geldt deze regeling wanneer de echtgenoot in overwegende mate in staat is te bepalen dat de winst van de onderneming hem of haar toekomt.

Tip:
Maak voorafgaand aan het huwelijk duidelijke afspraken over deze vergoeding in huwelijkse voorwaarden of wijk van de wettelijke regeling af in huwelijkse voorwaarden.


5. Vastgoed van uw familiebedrijf: beleggings- of ondernemingsvermogen?

Veel familiebedrijven in Nederland bezitten vastgoed. Dan gaat het om vastgoed voor het eigen familiebedrijf, en vaak ook om vastgoed dat ‘ter belegging’ wordt aangehouden.
Familiebedrijven kunnen bij overlijden van de dga te maken krijgen met hoge belastingen. Als het vastgoed binnen de bv aangemerkt wordt als beleggingsvermogen dan kan de belastingdruk oplopen tot maar liefst 40%. Om dit te voorkomen moet de ‘vastgoedexploitatie’ als onderneming worden beschouwd.

Hoge belastingen
Bij het overlijden van een dga krijgen de erfgenamen te maken met inkomstenbelasting en erfbelasting. Eerst 25% aan aanmerkelijkbelangheffing (box 2) en daaroverheen nog eens 20% erfbelasting maakt een gecombineerde belastingdruk van 40%.

Stel de waarde van de onderneming is: 100
Aanmerkelijkbelangbelasting 25% 25-/-
Restant na afrekenen inkomstenbelasting 75

Nalatenschap 75
Erfbelasting 20% 15-/-
Resteert na belastingen 60
Dit betekent dat de gecombineerde belastingdruk 40% bedraagt.

Bedrijfsopvolgingsregeling
De bedrijfsopvolgingsregeling geeft een vrijstelling van 100% over de waarde van het familiebedrijf van € 1.000.000. Boven deze waarde is een vrijstelling van 83% van toepassing. De belastingdruk komt dan uit op 3,4% (20% erfbelasting over 17%) boven de € 1.000.000. Deze zeer lage belastingdruk ontstaat omdat binnen de familie de box 2-heffing van 25% kan worden doorgeschoven naar de volgende generatie. Er is dus alleen erfbelasting verschuldigd.

Ondernemingsvermogen
Een belangrijk voorwaarde voor deze belastingfaciliteiten is dat het binnen de bv aanwezig vermogen aangemerkt wordt als ondernemingsvermogen. Al het vermogen binnen de bv dat dienstbaar of gerelateerd is aan het familiebedrijf, is ondernemingsvermogen.

Let op!
Overtollige liquide middelen op de bankrekening van de bv zijn beleggingsvermogen en vallen niet onder de faciliteiten. Werkkapitaal van het bedrijf is natuurlijk wel ondernemingsvermogen.

Vastgoedverhuur aan derden
Wordt het vastgoed gebruikt voor het familiebedrijf dan is het per definitie ondernemingsvermogen. De moeilijkheid ontstaat als er vermogen is geïnvesteerd in vastgoed dat verhuurd wordt aan derden. De Belastingdienst merkt dit steevast aan als beleggingsvermogen.

Praktijkhandreiking voor belastinginspecteurs
In december 2016 heeft het ministerie van Financiën een praktijkhandreiking moeten publiceren die alleen bedoeld was voor belastinginspecteurs.
De strekking van deze praktijkhandreiking is kortgezegd dat vastgoedexploitanten die zich alleen met verhuur bezig houden per definitie beleggers zijn. Dit betekent dat zij geen recht hebben op de belastingfaciliteiten.

Projectontwikkeling
Als het gaat om projectontwikkeling liggen er kansen. Als er bijvoorbeeld sprake is van het realiseren van nieuwbouwpanden of het herontwikkelen van vastgoed kan dit een onderneming opleveren.

Vastgoedmanagement in eigen beheer
In recente rechtspraak is geoordeeld dat intensief vastgoedmanagement dat door de bv zelf wordt uitgevoerd als een ondernemingsactiviteit kan worden aangemerkt. Je moet dan denken aan een eigen technische, juridische en administratieve afdeling om het vastgoedmanagement te regelen. Dit biedt kansen voor familiebedrijven om in aanmerking te komen voor hoge belastingvoordelen. Om hiervoor in aanmerking te komen moeten de feiten en omstandigheden er ook naar zijn. Het is belangrijk om dit goed aan te pakken en u hierin door uw adviseur te laten adviseren.

Inventarisatie
Het ondernemerschap van een vastgoed-bv blijkt in de praktijk moeilijk aan te tonen. Zeker omdat de Belastingdienst hier dwarsligt. Het loont echter de moeite om een inventarisatie te doen van de vastgoedactiviteiten van het familiebedrijf.


6. Verplicht vakantietoeslag over overwerkuren

Vanaf 1 januari 2018 bent u verplicht om overwerk dat u uitbetaalt met 8% vakantietoeslag te verhogen (tenzij een cao anders heeft bepaald). Ook over overuren uit 2017 of daarvoor die u in 2018 uitbetaalt, moet u vakantietoeslag betalen. Wilt u dit niet, dan moet u uw werknemers deze uren op laten nemen. Dit mag ook ná 1 januari 2018. Worden de uren niet op tijd opgenomen, dan moet u deze alsnog uitbetalen incl. vakantietoeslag. De regels gelden ook als uw werknemer in deeltijd werkt en extra uren maakt.


7. Belastingvrij schenken in 2018

Met schenken kunt u alvast iets van uw vermogen overdragen aan de volgende generatie. Bovendien is schenken bij leven, zeker als dit geleidelijk gebeurt, vaak fiscaal voordeliger dan vererven bij overlijden. Door jaarlijks bijvoorbeeld een bedrag te schenken aan uw kinderen, wordt uw vermogen kleiner zodat, mocht u komen te overlijden, uw kinderen straks minder erfbelasting betalen. Maakt u optimaal gebruik van de vrijstellingen dan hoeft er in ieder geval geen schenkbelasting te worden betaald. In 2018 gelden de volgende schenkingsvrijstellingen:

Kinderen € 5.363
Kinderen 18-40 jaar (eenmalig) € 25.731 óf Kinderen 18-40 (eenmalig) indien schenking wordt aangewend voor een dure studie € 53.602
Verkrijgers 18-40 jaar (eenmalig) indien schenking wordt aangewend voor de eigen woning € 100.800
Overige verkrijgers € 2.147

CONTACT

Laat hier een bericht achter. We nemen zo spoedig mogelijk contact met u op!

Niet leesbaar? Verander tekst. captcha txt