1. SRA-Sectorrapport ‘Branches in Zicht 2017’ is weer beschikbaar

Op dinsdag 6 juni heeft het Financieel Dagblad zowel op de voorpagina als op de volledige pagina 7 volop aandacht besteed aan het SRA-Sectorrapport ‘Branches in Zicht 2017’. Bij BNR Nieuwsradio heeft SRA-bestuurslid Fou-Khan Tsang het rapport toegelicht.

Hoe presteert u ten opzichte van uw concurrent?
Wij kunnen u dit vertellen. Ons kantoor neemt deel aan SRA-Branche in Zicht. Een landelijk benchmarkplatform met 130.000 jaarrekeningen waarmee wij u van actuele branche-informatie kunnen voorzien.

Wij gaan zelfs nog een stapje verder! Wij kunnen voor u in kaart brengen hoe u presteert ten opzichte van uw concurrent in uw branche en zelfs regio.

Bekijk het SRA-sectorrapport ‘Branches in Zicht 2017’ om te zien hoe uw branche en regio ervoor staan. Neem voor een benchmarkrapport voor uw eigen bedrijf contact met ons op.


2. Geldboek voor Ondernemers

Oorsprong 30 dagen betaaltermijn

De algemene regel dat een factuur binnen 30 dagen moet worden betaald komt voort uit de ‘Europese Richtlijn late betalingen’ die sinds 16 maart 2013 in Nederland geldt. Op grond van deze richtlijn moeten de overheid, bedrijven en non-profit organisaties hun rekeningen binnen 30 dagen betalen. Deze Richtlijn biedt bedrijven echter de mogelijkheid om een langere betaaltermijn dan 30 dagen af te spreken. Er kan een betaaltermijn van 60 dagen worden afgesproken of onder bepaalde voorwaarden zelfs langer dan 60 dagen.

Betaaltermijn langer dan 60 dagen?

Een betaaltermijn langer dan 60 dagen is nu alleen mogelijk indien dit uitdrukkelijk is overeengekomen in de overeenkomst én de langere betaaltermijn niet ‘kennelijk onbillijk’ is voor de schuldeiser/leverancier. Maar wanneer is een betaaltermijn kennelijk onbillijk? Hoewel de wet aanknopingspunten geeft om dit te bepalen, blijft het subjectief. Er moet bijvoorbeeld gekeken worden of de schuldenaar/afnemer objectieve redenen heeft om af te wijken van de 60 dagen termijn, wat de aard van de prestatie is en of er sprake is van een aanmerkelijke afwijking van de goede handelspraktijken.

Als deze regels al bekend zijn, dan levert het in de praktijk vaak een probleem op om te bepalen of je nu wel of niet een langere betaaltermijn mag overeenkomen. In de praktijk komt het regelmatig voor dat grote ondernemingen met hun machtspositie tegenover MKB-leveranciers een langere betaaltermijn hanteren (soms tot 90 of 120 dagen). Als de schuldeisers van de MKB-onderneming dan vasthouden aan een betaaltermijn van 30 dagen, komt deze financieel in de knel.

Wetswijziging per 1 juli 2017

Per 1 juli 2017 krijgt het MKB meer bescherming tegen de langere betaaltermijnen. Het doel van deze wetswijziging is om te voorkomen dat grote bedrijven een betaaltermijn langer dan 60 dagen hanteren als zij goederen en/of diensten van MKB-leveranciers en zelfstandig ondernemers afnemen.

Na deze wetswijziging mag tussen een grote onderneming en een MKB-leverancier/-dienstverlener geen langere betaaltermijn dan 60 dagen overeengekomen worden. Indien een grote onderneming toch een betaaltermijn langer dan 60 dagen hanteert, dan is die nietig (d.w.z. ‘niet geldig’) en wordt de betaaltermijn automatisch omgezet in een betaaltermijn van 30 dagen. Vanaf dat moment gaat ook de wettelijke handelsrente lopen. Die is op dit moment 8%.

Indeling ondernemingen

Wanneer is er sprake van een grote onderneming en wanneer van een MKB-onderneming of zelfstandig ondernemer? Hiervoor wordt aansluiting gezocht bij het jaarrekeningrecht.

Criteria Micro Klein Middelgroot Groot
Waarde van de activa volgens de balans < € 350 K < € 6 mln < € 20 mln > 20 mln
Hoogte van de netto-omzet in een boekjaar < € 700 K < € 12 mln < € 40 mln > € 40 mln
Gemiddeld aantal werknemers in een boekjaar < 10 < 50 < 250 > 250

Een onderneming valt in één van deze categorieën indien gedurende twee aaneengesloten boekjaren wordt voldaan aan tenminste twee van de drie criteria van die categorie. MKB valt altijd in micro, klein of middelgroot.

Compliance en MVO
Vanwege de rente die zij moet vergoeden wegens overschrijding van de betaaltermijn zal een grote onderneming niet snel wakker liggen. Maar wel van het feit dat zij met een te langere betaaltermijn in strijd met de wet handelt. Grote bedrijven mogen namelijk op basis van hun compliance regels of MVO-beleid niet in strijd met de wet handelen. Dit kan bovendien slechte publiciteit veroorzaken.

Overgangsrecht

De maximale betaaltermijn van 60 dagen gaat per direct in op 1 juli 2017. Voor bestaande overeenkomsten geldt een overgangstermijn van 1 jaar. Dus ook al loopt een overeenkomst met een betaaltermijn van 90 dagen nog tot 31 december 2020, dan wijzigt die betaaltermijn per 1 juli 2018 naar 60 dagen.

Conclusie

De regeling vanaf 1 juli 2017 geldt tussen een grote onderneming in de rol van schuldenaar/afnemer enerzijds en een MKB-onderneming of zelfstandig ondernemer in de rol van schuldeiser/leverancier anderzijds. Onderling mogen grote bedrijven dus nog steeds een langere betaaltermijn dan 60 dagen afspreken. Maar wat nu als een grote onderneming tegenover een MKB- leverancier toch een langere betaaltermijn dan 60 dagen wil afdwingen? Juridisch is dit vanaf 1 juli a.s. niet meer mogelijk. In deze relatie valt een langere betaaltermijn vanaf die datum van rechtswege (d.w.z. ‘automatisch’) terug naar 60 dagen. Hoewel de wet in dit geval de MKB- leverancier meerdere juridische handvatten geeft om tijdige (rente)betaling af te dwingen, is de praktijk vaak weerbarstig en is het denkbaar dat een leverancier hier vanwege zijn afhankelijkheidspositie terughoudend in is.

Mocht u vragen hebben kunt u via ons kantoor Stefan Verdonk (jurist) raadplegen (0495 454444).


3. Personele kosten remmen winstontwikkeling mkb, omzet groeit

De omzetgroei in het Nederlandse midden- en kleinbedrijf is in 2016 opnieuw versneld. Gemiddeld steeg de omzet met 7,4%, versus 5,1 een jaar eerder. Vooral de bouw en specialistische zakelijke dienstverleners deden het op alle fronten goed, terwijl de industrie enigszins achterbleef. De winst groeide echter niet in dezelfde trend mee.
Deze cijfers laten al voor het derde jaar op rij een stagnatie zien. Dit is voor een belangrijk deel veroorzaakt door een stijging in de personele kosten. Dit blijkt uit het nieuwe SRA-rapport ‘Branches in Zicht 2017, de harde cijfers van Nederlandse ondernemingen’.

Winstgroei stagneert, personeelskosten verdubbelen
Ondanks een sterke stijging van de omzetgroei vertraagde de toename in winsten naar gemiddeld 20,4%. Dit was 29,9% in 2015 en 31,5% in 2014. Vooral de automotive en de logistiek kenden een sterke terugval, al bleef er ook in deze branches sprake van groei. De bouw liet als enige een flinke versnelling van de winstgroei zien. Een belangrijke reden waarom de winstontwikkeling voor het mkb als geheel achterbleef bij het tempo van de omzetgroei is een toename van de personeelskosten met gemiddeld 6%, voor bedrijven de belangrijkste kostenpost. De toename van deze kosten was in 2016 bijna twee keer zo sterk dan in 2015 en bijna drie keer zo sterk dan in 2014.

Bouw blinkt uit
Het mkb liet over de volle breedte groei zien, maar de bouw stak er met kop en schouders bovenuit. De winstgroei kwam in deze branche uit op maar liefst 81,2%; een forse versnelling ten opzichte van het voorgaande jaar. De florerende woningmarkt is een sterke groeimotor en de meeste bedrijven in de bouw staan er financieel veel beter voor. Ook de medische zorg zag de winstgroei aantrekken. In de logistiek en de automotive nam de winstgroei het sterkst af, onder meer door druk op de prijzen en verdienmodellen. De omzetgroei versnelde in deze branches wel.

Meer ruimte om te investeren
Financieel gezien heeft het mkb een erg goed jaar achter de rug. Ook de solvabiliteit is sterk verbeterd, het eigen vermogen nam in totaal met bijna 12% toe. Vooral de bouw, specialistische zakelijke dienstverleners en de horeca lieten hier een forse stijging zien. Daarnaast zijn mkb-ondernemers gemiddeld genomen meer schulden aangegaan om te investeren. De kortlopende schulden liepen per saldo met 1,4% op. De kar werd hier getrokken door de bouw, de logistiek en de industrie. Alleen autobedrijven bouwden de schulden gemiddeld verder af.

Grote regionale verschillen
De omzetontwikkeling was in 2016 positief in alle regio’s. Ondernemers in de zuidelijke provincies Zeeland, Noord-Brabant en Limburg lieten de sterkste omzetgroei zien met 11,5%. Ook bedrijven in de noordelijke provincies deden goede zaken, zij lieten een groei zien van 7,3%. De winstcijfers waren eveneens het beste in de zuidelijke regio met 28,7%. Verder stegen de personeelskosten gemiddeld het hardst in de noordelijke en zuidelijke provincies met ruim 11%, versus 6% gemiddeld. In de vier grote steden namen deze kosten relatief beperkt toe.


4. Trouwplannen na 1 januari 2018?

Let op de veranderingen in het nieuwe huwelijksvermogensrecht. Je trouwt straks niet meer automatisch in algehele gemeenschap van goederen. Op 1 januari 2018 treedt een wetswijziging in werking betreffende de beperking gemeenschap en geldt alleen voor huwelijken die gesloten worden na die datum. Wat gaat er veranderen en wat betekent dit voor u als ondernemer?

De gemeenschap van goederen omvat alle goederen en schulden die echtgenoten voor het huwelijk gezamenlijk al hadden en alle goederen en schulden die de echtgenoten vanaf de aanvang van de gemeenschap tot aan de ontbinding van de gemeenschap verkrijgen of maken, met uitzondering van hetgeen ontvangen is in het kader van een erfenis of schenking.

Nu: uitsluitingsclausule
Op dit moment is dit alleen het geval indien een uitsluitingsclausule is opgenomen in het testament of bij de schenking, waarbij de erflater of de schenker bepaalt dat een erfenis of schenking buiten de gemeenschap van goederen valt.

Straks: insluitingsclausule
Onder de nieuwe wetgeving zal een insluitingsclausule of gemeenschapsclausule gebruikt kunnen worden. Deze clausule zorgt ervoor dat de gift of erfenis juist wel in de gemeenschap valt, indien de schenker of erflater dat wenst.

Let op!
Vanaf 1 januari 2018 moet u met een insluitingsclausule regelen dat een gift of erfenis juist in de gemeenschap valt.

Ondernemingsvermogen
Voorhuwelijks ondernemingsvermogen valt niet in de gemeenschap. Wel geldt dat een redelijke vergoeding voor kennis, vaardigheden en arbeid voldaan dient te worden aan de gemeenschap, voor zover een dergelijke vergoeding niet al op andere wijze ten bate van de echtgenoten komt of is gekomen. Volgens de parlementaire geschiedenis kan dit vergoedingsrecht worden vastgesteld aan de hand van de toegenomen waarde van het privévermogen. Dit vereist een nauwkeurige administratie van het privévermogen van echtgenoten. Het is derhalve verstandig om de waarde van de voorhuwelijkse onderneming goed te doen vaststellen en hierbij op te nemen op basis van welke grondslag dit is gebeurd. Aan het einde van het huwelijk zal dit wederom moeten gebeuren.

Tip:
Leg het vermogen van de onderneming en het privévermogen van u en uw partner voor het huwelijk nauwkeurig vast.

Totaalwinst van de onderneming
Wilt u als ondernemer een huwelijk aangaan, dan is het verstandig dat uw accountant de gerealiseerde totaalwinst van de onderneming vaststelt op het moment van het aanvangen van de gemeenschap.

Let op!
Het is voor ondernemers en in het bijzonder voor een ondernemer met een eenmanszaak van groot belang dat alle afspraken en de vermogenssituatie in huwelijksvoorwaarden worden overeengekomen.

Gevolgen voor schulden
De nieuwe wetgeving leidt tot slot tot een beperking van de positie van schuldeisers. Zo kunnen de goederen van een echtgenoot niet worden uitgewonnen indien hij goederen uit de gemeenschap aanwijst, die voldoende verhaal bieden om gemeenschapsschulden mee te voldoen. Daarnaast geldt dat de verhaalsmogelijkheden voor privéschuldeisers op de gemeenschap worden beperkt. Verder geldt er een beperkte draagplichtregeling in de situatie dat er meer schulden dan baten zijn bij de ontbinding van de gemeenschap. Wanneer de goederen van de gemeenschap niet toereikend zijn, worden deze in beginsel gedragen door beide echtgenoten voor een gelijk deel. Ten slotte gelden er geen strengere bewijsregels meer voor het bewijzen van privé-eigendom door de echtgenoot van een failliet.

Heeft u vragen over het nieuwe huwelijksvermogensrecht, bent u van plan om na 1 januari 2018 in het huwelijksbootje te stappen? Laat u tijdig adviseren en informeren wat dit voor u betekent.


5. Zonder instemming geen afkoop of omzetting pensioen in eigen beheer

Wie is de instemmingsgerechtigde partner als u besluit uw pensioen in eigen beheer af te kopen of om te zetten in een oudedagsverplichting? De Belastingdienst heeft hier recent meer duidelijkheid over gegeven.

Instemming vereist
Bent u van plan om uw pensioen in eigen beheer af te kopen of om te zetten in een oudedagsverplichting? Dit kan alleen als uw partner hiermee instemt. Die instemming moet blijken uit het mede ondertekenen van het informatieformulier waarmee u binnen één maand na het tijdstip van omzetting of afkoop de Belastingdienst hiervan op de hoogte stelt.

Let op!
Kan of wil de (ex-)partner het informatieformulier niet ondertekenen, dan blijft uw pensioenverplichting premievrij op de balans van de bv staan. Afkoop of omzetting is in dat geval niet mogelijk. Doet u dit zonder akkoord toch, dan beschouwt de Belastingdienst uw pensioenaanspraak als ‘onzuiver’, waardoor u loonbelasting moet betalen over de commerciële waarde van de gehele pensioenaanspraak en ook nog eens 20% revisierente bent verschuldigd.

Instemmingsgerechtigde partner
Voor de Belastingdienst is de partner die moet instemmen met het prijsgeven, afkopen of omzetten van de in eigen beheer verzekerde pensioenaanspraak:

  • de echtgenoot van de dga;
  • de geregistreerde partner van de dga;
  • de niet-geregistreerde partner die voldoet aan de definitie van partner in de tussen de dga en zijn bv gesloten pensioenovereenkomst, mits deze recht heeft op (een deel van) de in eigen beheer verzekerde pensioenaanspraak.

Ook een eventuele ex-partner kan kwalificeren als instemmingsgerechtigde partner. Dat is het geval als deze ex-partner nog steeds recht heeft op een deel van de pensioenaanspraak. In dat geval moet ook de ex-partner het informatieformulier ondertekenen.

Let op!
Het informatieformulier moet per (ex-)partner worden ingevuld.


6. Belangrijke wijzigingen per 1 juli 2017 in minimumjeugdloon

Per 1 juli aanstaande stijgt het minimumjeugdloon voor 18- tot en met 21-jarigen. Die stijging is meer dan de gebruikelijke halfjaarlijkse verhoging. Werkgevers krijgen hierdoor te maken met hogere loonkosten. Zij kunnen rekenen op een compensatie.

Minimumjeugdloon
De nodige veranderingen in het minimumloon zijn op komst. Zo gaat per 1 juli 2017 de leeftijd voor het volwassenminimumloon omlaag van 23 jaar naar 22 jaar. Tegelijkertijd gaat het minimumjeugdloon voor 18- tot en met 21-jarigen omhoog.

Per 1 juli 2017 ziet het wettelijk minimum(jeugd)loon per maand er als volgt uit:

Leeftijd 1 juli 2017 1 januari 2017
15 jaar € 469,60 € 465,50
16 jaar € 540,05 € 535,30
17 jaar € 618,35 € 612,90
18 jaar € 743,55 € 706,00
19 jaar € 860,95 € 814,60
20 jaar € 1095,80 € 954,25
21 jaar € 1330,60 € 1124,90
22 jaar en ouder € 1565,40 € 1318,85
(22 jaar)
€ 1.551,60
(23 jaar en ouder)

Let op!
Het verhoogde minimumjeugdloon voor 18- tot en met 20-jarigen geldt niet voor werknemers met een leerwerkplek in het kader van de beroepsbegeleidende leerweg (BBL). Voor hen gelden alternatieve staffels.

Let op!
In 2019 gaat het minimumjeugdloon voor 18- tot en met 20-jarigen wederom meer dan gebruikelijk omhoog en per 1 juli 2019 gaat de leeftijd voor het volwassenminimumloon verder omlaag van 22 jaar naar 21 jaar.

Compensatie
Door de stijging van het minimumjeugdloon voor 18-tot en met 21-jarigen krijgt u mogelijk te maken met hogere loonkosten. Voor deze hogere loonkosten kunt u compensatie krijgen via het minimumjeugdloonvoordeel. Daar hoeft u zelf niets voor te doen. Blijkt uit gegevens van het UWV dat u recht heeft op compensatie dan betaalt de Belastingdienst deze automatisch aan u uit. U moet hier echter nog wel even op wachten. De compensatie wordt namelijk na afloop van een kalenderjaar automatisch vastgesteld en uitbetaald aan werkgevers die daar recht op hebben. Omdat de regeling nieuw is kan de eerste uitbetaling van de compensatie pas plaatsvinden in de tweede helft van 2019. Dan ontvangt u het minimumjeugdloonvoordeel over zowel het tweede halfjaar van 2017 als het hele jaar 2018, uiteraard voor zover u daar recht op heeft.


7. De Wet DBA opnieuw opgeschort

Zzp’ers en opdrachtgevers krijgen nog langer de tijd om zich aan te passen aan de Wet DBA. De handhaving is namelijk verder opgeschort tot in ieder geval 1 juli 2018. Deze opschorting betekent het volgende: tot in ieder geval 1 juli 2018 zal de Belastingdienst geen naheffingen, boetes of correctieverplichtingen voor de loonheffingen opleggen als achteraf wordt geconstateerd dat toch sprake is van een dienstbetrekking tussen zzp’er en opdrachtgever. Dit is alleen anders in geval van kwaadwillendheid. Dan heeft men met opzet een situatie van schijnzelfstandigheid gecreëerd, terwijl er gewoon een dienstbetrekking is. In die situatie zal de Belastingdienst wel handhaven. Wat er nu verder gaat gebeuren met het DBA-dossier is aan een nieuw kabinet.


8. Digitale calculator om tegemoetkoming werknemer te berekenen

Voor bepaalde werknemers heeft u mogelijk recht op een premiekorting, het lage-inkomensvoordeel of een loonkostensubsidie. U kunt de hoogte van de financiële tegemoetkoming nu zelf berekenen met een speciale digitale calculator.
Het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid heeft deze samen met de Belastingdienst en het UWV ontwikkeld. Met deze calculator kunt u in zeven stappen berekenen hoe hoog de financiële tegemoetkoming is per werknemer uit een van de volgende doelgroepen:

  • Ouderen
  • Arbeidsgehandicapten
  • Banenafspraak
  • Beschut werk
  • Regulier met een gemiddeld uurloon van minimaal 100% en maximaal 125% van het wettelijk minimumloon
CONTACT

Laat hier een bericht achter. We nemen zo spoedig mogelijk contact met u op!

Not readable? Change text. captcha txt