1. Ontslag om bedrijfseconomische redenen

De coronacrisis leidt in veel organisaties tot dusdanige financiële malaise dat het aanvragen van ontslag van werknemers onvermijdelijk is: een pijnlijke beslissing. Maar ook andere maatregelen die een organisatie wil nemen voor een doelmatige bedrijfsvoering kunnen leiden tot een ontslag om bedrijfseconomische redenen. Hoe steekt een ontslag op bedrijfseconomische gronden in elkaar?
En tot slot: hoe verhoudt zich het ontslag ten opzichte van de NOW-subsidie?

De coronacrisis en de NOW-subsidie
Om met de laatste vraag te beginnen: de coronacrisis is steeds meer een economische crisis aan het worden met alle gevolgen van dien. Bedrijven zijn mogelijk genoodzaakt werknemers te ontslaan. Om de crisis enigszins het hoofd te bieden heeft de regering de NOW-subsidie gecreëerd om die branches die het hardst getroffen worden (>20% omzetverlies) tot maximaal 90% van de loonkosten te vergoeden.

In de eerste NOW regeling zit een ontslagverbod in de maanden maart, april, mei met als sanctie een boete. Vanaf 1 juni, wanneer de subsidie afloopt, zou ontslag wel weer mogelijk zijn.

Omdat de crisis langer duurt dan verwacht is er een verlenging van de NOW-subsidie aangekondigd, echter deze keer zonder het ontslagverbod. Hoe deze regeling er precies uit komt te zien is nog niet duidelijk. Voor meer informatie verwijs ik u naar het artikel over de nieuwe NOW in deze nieuwsbrief.

Ontslag om bedrijfseconomische redenen
In de meeste gevallen zal UWV de ontslagaanvraag beoordelen. Het is ook mogelijk dat in de cao staat dat een ontslagcommissie de ontslagaanvragen moet beoordelen. UWV maakt bij de beoordeling van de ontslagaanvraag gebruik van de Uitvoeringsregels Ontslag om bedrijfseconomische redenen. De laatste wijzigingen zijn van oktober 2019.

Als UWV een ontslagvergunning verleent aan de werkgever, zal de werkgever daarna de arbeidsovereenkomsten zelf nog moeten opzeggen, binnen 4 weken na afgifte van de ontslagvergunning.

Welke soorten bedrijfseconomische redenen zijn er?
De meest voorkomende voorbeelden van bedrijfseconomische redenen die tot ontslag leiden, zijn een slechte of slechter wordende financiële positie of werkvermindering. Maar ook een reorganisatie om andere redenen dan een tekort aan financiën of werk kan ontslag om bedrijfseconomische redenen rechtvaardigen.

Denk bijvoorbeeld aan organisatorische of technologische wijzigingen die de werkgever wil doorvoeren. Of aan een bedrijfsverhuizing of een bedrijfsbeëindiging.

Ondernemersvrijheid ten aanzien van de bedrijfsvoering
Een algemeen aanvaard beginsel is dat ondernemers naar eigen zakelijk inzicht beslissingen mogen nemen over de wijze waarop zij hun bedrijf inrichten. Voorwaarde hierbij is wel dat het besluit van de werkgever in redelijkheid wordt genomen. Hiermee wordt bedoeld dat een andere weldenkende en weloverwogen handelende werkgever hetzelfde besluit zou hebben kunnen nemen.

Dit betekent dat UWV bij het beoordelen van de ontslagaanvraag niet op de stoel van de werkgever zal gaan zitten. UWV kijkt niet of de organisatie ‘het beste’ besluit neemt.

Wel beoordeelt UWV of sprake is van een ‘redelijk’ besluit. Bij de toetsing van de redelijkheid van het reorganisatiebesluit wordt ook het voortraject tot het besluit beoordeeld.

Als het besluit bijvoorbeeld in het kader van de Wet op de Ondernemingsraden (WOR) adviesplichtig is, zal de werkgever advies aan de ondernemingsraad moeten vragen. Als de werkgever dit niet gedaan heeft, kan UWV de ontslagaanvraag afwijzen.

Herplaatsing
De werkgever moet in de ontslagaanvraag toelichten waarom het niet mogelijk is of het niet in de rede ligt om de werknemer(s) binnen een redelijke termijn te herplaatsen op een passende functie binnen de onderneming.

Bij de herplaatsingsverplichting gaat het niet om een resultaatverplichting van de werkgever. Herplaatsen is een inspanningsverplichting. Van de werkgever kan niet méér gevraagd worden dan in de gegeven omstandigheden redelijk is.

Dat neemt niet weg dat van de werkgever een serieuze inspanning verwacht mag worden om de werknemer te herplaatsen. Als de werkgever niet aan de herplaatsingsverplichting heeft voldaan, wijst UWV de ontslagaanvraag af.

De keuzerechtvaardiging: welke werknemers worden voor ontslag voorgedragen?
Als de werkgever de noodzaak van ontslagen wegens bedrijfseconomische redenen aannemelijk maakt, komt de vraag aan de orde welke werknemers voor ontslag moeten worden voorgedragen. Het is de werkgever niet toegestaan om zelf een selectie aan te brengen op basis van functioneren, ziektehistorie, arbeidsomvang en dergelijke.

Als eerste moet de werkgever de arbeidsovereenkomsten beëindigen van alle medewerkers die:

  • geen vast contract hebben of een contract voor bepaalde tijd hebben dat korter dan 26 weken duurt;
  • geen vaste urenomvang hebben (zoals oproepkrachten);
    ingeleend zijn (zoals uitzendkrachten);
  • AOW-gerechtigd zijn.

Voor het overige personeel moet de werkgever het afspiegelingsbeginsel toepassen.

Het afspiegelingsbeginsel
Het afspiegelingsbeginsel wordt toegepast per categorie uitwisselbare functies op basis van de leeftijdsopbouw binnen de betreffende categorie uitwisselbare functies.

Het personeel van de categorie uitwisselbare functies wordt ingedeeld in 5 leeftijdsgroepen:

  • van 15 tot 25 jaar;
  • van 25 tot 35 jaar;
  • van 35 tot 45 jaar;
  • van 45 tot 55 jaar;
  • van 55 en ouder.

De uitwisselbare functie
Het afspiegelingsbeginsel wordt toegepast per categorie ‘uitwisselbare functies’. Dit begrip is in het kader van het afspiegelingsbeginsel dus essentieel.

In de Ontslagregeling staat dat een functie uitwisselbaar is als de functies gelijkwaardig zijn qua inhoud, kennis, vaardigheden, competenties, tijdelijke of structurele aard van de functie, niveau en beloning. Andere factoren spelen geen rol bij het bepalen van de uitwisselbaarheid: de opsomming is limitatief.

Bij de vergelijking van de functie, kennis, vaardigheden en competenties is het van belang wat de functie in de praktijk in het algemeen inhoudt. De specifieke invulling door een individuele werknemer telt niet mee. Alleen de omstandigheden waarin een medewerker een functie uitvoert kunnen van belang zijn (bijvoorbeeld in een koelcel of ’s nachts).

De aard en inhoud van de functies zijn doorslaggevend voor de vraag of ze uitwisselbaar zijn. Het is niet relevant of een bepaalde werknemer ook een andere functie kan vervullen, bijvoorbeeld omdat hij die functie in het verleden heeft vervuld, of omdat hij daarvoor de juiste kwaliteiten en vaardigheden in huis heeft.

LET OP: er zijn uitzonderingen mogelijk op het afspiegelingsbeginsel:

De uitgeleende werknemer
Steeds meer bedrijven (vooral in de zakelijke dienstverlening) maken gebruik van detacheringconstructies waarbij werknemers bij een ander werkzaamheden verrichten. Als de werkgever aannemelijk kan maken dat vervanging van deze werknemer bij die derde redelijkerwijs niet mogelijk is, kan de werknemer uitgezonderd worden van de afspiegeling.

De onmisbare werknemer
Als de werkgever vindt dat een werknemer die op grond van het afspiegelingsbeginsel voor ontslag in aanmerking komt over zodanige bijzondere kennis en bekwaamheden beschikt dat zijn ontslag voor het functioneren van de onderneming bezwaarlijk zou zijn, blijft die werknemer op verzoek van de werkgever bij de toepassing van het afspiegelingsbeginsel buiten beschouwing.

De kennis en bekwaamheden van de werknemer moeten bijzonder zijn. Het mag dus niet gaan om kennis en bekwaamheden die binnen de functie vereist zijn.

De medewerker met een arbeidsbeperking
De werkgever mag ervoor kiezen om medewerkers met een arbeidsbeperking bij de afspiegeling buiten beschouwing te laten. Dit heeft te maken met het quotum uit de Wet banenafspraak quotum arbeidsbeperkten.

De medewerker voor wie de loonkostensubsidie vervalt
Als de aanleiding voor het ontslag van een werknemer het beëindigen van een voor hem bestemde (persoonsgebonden) loonkostensubsidie is, komt die werknemer voor ontslag in aanmerking voordat er binnen de rest van die leeftijdscategorie wordt afgespiegeld.

Als een werknemer voor wie een loonkostensubsidie is verleend in feite hetzelfde werk verricht en even productief is als andere werknemers (waarvoor geen loonkostensubsidie is verleend), kan het enkele feit dat voor een werknemer de loonkostensubsidie vervalt overigens geen reden zijn voor ontslag wegens bedrijfseconomische redenen.

De medewerker met een opzegverbod
UWV verleent geen toestemming als een ‘tijdens’-opzegverbod van toepassing is, tenzij redelijkerwijs verwacht kan worden dat het opzegverbod binnen 4 weken na afgifte van de ontslagvergunning vervalt. Als het niet de verwachting is dat het opzegverbod binnen 4 weken vervalt, dan laat de werkgever die werknemer buiten beschouwing bij de toepassing van het afspiegelingsbeginsel. Dit betekent dat een andere medewerker in aanmerking komt voor ontslag.

Op de hoofdregel dat UWV geen ontslagvergunning als een ‘tijdens’-opzegverbod van toepassing is, bestaan uitzonderingen. Bij een bedrijfsbeëindiging is bijvoorbeeld het ontslagverbod bij ziekte niet van toepassing. Check de Uitvoeringsregels bij ontslag om bedrijfseconomische redenen voor alle uitzonderingen.

De medewerker met een unieke functie
Een unieke functie is een functie die slechts door één werknemer uitgevoerd wordt. Het spreekt voor zich dat bij het vervallen van die functie het afspiegelingsbeginsel niet hoeft te worden toegepast.

Categorie uitwisselbare functies komt volledig te vervallen
Als een categorie uitwisselbare functies volledig komt te vervallen, is afspiegeling niet aan de orde. In dat geval moeten immers alle werknemers die de uitwisselbare functie vervullen afvloeien. Er hoeft geen ontslagkeuze te worden gemaakt.

De 10% regeling
In de cao kan bepaald zijn dat maximaal 10% van het personeel van het totale aantal werknemers dat voor ontslag in aanmerking komt buiten beschouwing kan blijven. Hierbij moet het gaan om medewerkers die bovengemiddeld presteren of waarvan verwacht wordt dat zij zich in de toekomst bovengemiddeld zullen ontwikkelen.

De 10% regeling mag niet tot gevolg hebben dat meer werknemers uit de leeftijdsgroepen van 15 tot 25 jaar en van 55 jaar tot de AOW-gerechtigde leeftijd in aanmerking komen.

De wederindiensttredingsvoorwaarde bij de ontslagvergunning
Als UWV de ontslagvergunning verleent wegens bedrijfseconomische redenen zal daaraan meestal de zogeheten wederindiensttredingsvoorwaarde worden gekoppeld.

De wederindiensttredingsvoorwaarde houdt in dat de werkgever binnen 26 weken na de bekendmaking van de ontslagtoestemming geen werknemer in dienst mag nemen voor het verrichten van werkzaamheden van dezelfde aard als een ontslagen werknemer.

Hij moet eerst de werknemer voor wie de ontslagvergunning is verleend in de gelegenheid stellen zijn vroegere werkzaamheden op de gebruikelijke voorwaarden te hervatten. Onder in dienst nemen wordt in dit verband tevens verstaan: de aanstelling van parttime werknemers of het inlenen van uitzendkrachten.

Vragen, hulp of advies nodig?

Neem contact op met Frank Stultiens, SmitsVandenBroek HR Advies & Personeelsdiensten, via:
Email: f.stultiens@smitsvandenbroek.nl of tel.: 0495454444.


2. Ontslag per juni mogelijk bij nieuwe NOW-regeling

Bedrijven die gebruikmaken van de NOW-regeling om een tegemoetkoming in de loonkosten van werknemers te krijgen, mogen vanaf juni werknemers ontslaan. Dit zei minister Wouter Koolmees van Sociale Zaken en Werkgelegenheid vrijdag 8 mei in de uitzending van Op1. Volgens hem besluit het kabinet hiertoe om andere banen te behouden.

Bedrijven die nu van de NOW-regeling gebruikmaken, mogen hun werknemers niet om bedrijfseconomische redenen ontslaan. Doen zij dat wel, dan volgt een correctie op de NOW-subsidie middels een boete. Die boete verdwijnt dus in het tweede steunpakket dat er per juni aan zit te komen. Volgens Koolmees zal het grootste deel van het steunpakket worden verlengd, maar het is nog onduidelijke welke voorwaarden daaraan worden verbonden. Het kabinet zal dit pakket binnen nu en twee weken bekendmaken, aldus de minister.

Extra voorwaarden nieuwe NOW
Volgens Koolmees kent de verlengde NOW-regeling, naast dat de eerdergenoemde boete verdwijnt, ook nog extra voorwaarden. Zo mogen er geen winstuitkeringen aan aandeelhouders plaatsvinden, mag er geen dividend worden uitgekeerd en mogen geen eigen aandelen worden ingekocht. Deze voorwaarden worden nu ook al toegepast bij concerns met minder dan 20% omzetverlies, waarbij een van de bv’s een beroep op de NOW-regeling wil doen.

Omscholing
Ook bekijkt het kabinet nog of er al dan niet verplichte omscholingsmaatregelen aan de verlengde NOW-regeling kunnen worden verbonden. Op die manier hoopt men dat werknemers die na de crisis binnen de eigen bedrijfstak nauwelijks meer aan het werk komen, een alternatief kunnen vinden.

Huidige NOW-regeling
De huidige NOW-regeling kan tot en met 31 mei worden aangevraagd en vergoedt tot maximaal 90% van de loonkosten van bedrijven die minstens 20% omzetverlies hebben. Het omzetverlies wordt bepaald op basis van 25% van de omzet van 2019. Dit moet worden vergeleken met de omzet in de periode maart t/m mei 2020. Werkgevers kunnen echter ook kiezen voor een periode die één of twee maanden later start. Als een bedrijf een werknemer ontslaat, terwijl het bedrijf aanspraak maakt op de NOW-regeling wordt de tegemoetkoming verminderd door 150% van het loon van de ontslagen werknemer in mindering op de loonsom te brengen.


3. Bestuurder aansprakelijk voor belastingschuld bv?

Hoewel een bv een onafhankelijke rechtspersoon is, kunt u als bestuurder toch aansprakelijk zijn voor belastingschulden van de bv. U kunt wel de risico’s beperken. Hoe oordeelt de Hoge Raad hierover?

Bestuursaansprakelijkheid
Wettelijk is geregeld dat bestuurders van een bv, waaronder meestal de dga, in beginsel hoofdelijk aansprakelijk zijn voor een aantal belastingschulden. Dit betreft onder meer de loonheffing en omzetbelasting. De aansprakelijkheid vervalt als betalingsmoeilijkheden door een bestuurder van een bv tijdig aan de fiscus gemeld worden. Dit betekent binnen twee weken nadat betaald had moeten worden.

Onbehoorlijk bestuur
Zijn betalingsmoeilijkheden tijdig gemeld, dan is een bestuurder niet aansprakelijk, tenzij de inspecteur kan bewijzen dat er sprake is van onbehoorlijk bestuur.

Melding blijft van kracht
In een zaak bij de rechtbank Breda was een bv in de modebranche in betalingsmoeilijkheden gekomen. Dit was door de bestuurder annex dga ook gemeld bij de ontvanger. Toch werd de bestuurder na het faillissement van de bv voor ruim € 70.000 aansprakelijk gesteld voor belastingschulden.

Nogmaals melden?
De inspecteur stelde dat de belastingschulden waarvoor betalingsmoeilijkheden bestonden, inmiddels betaald waren na een afgesproken betalingsregeling. Hierna waren echter diverse nieuwe belastingschulden ontstaan en betaald. De inspecteur stelde dan ook niet op de hoogte te zijn van het feit dat er nog steeds betalingsmoeilijkheden bestonden en vond dat de bestuurder dit opnieuw had moeten melden.

Hoge Raad: melding blijft van kracht bij betalingsachterstand
Volgens een uitspraak van de Hoge Raad blijft een eenmaal gedane melding van betalingsonmacht echter gelden, zolang er betalingsachterstanden zijn. Het is niet van belang of dit nieuwe belastingschulden betreft.

Inspecteur kan nieuwe melding eisen
De aansprakelijkheid is wel weer van toepassing als de inspecteur na een betaling laat weten van mening te zijn dat er geen betalingsonmacht meer bestaat. Dan zal de bestuurder de betalingsonmacht opnieuw moeten melden, als deze althans nog bestaat. In deze zaak had de inspecteur dit echter niet laten weten, zodat de aansprakelijkheid niet overeind bleef.


4. Hoge Raad: KIA bij samenwerkingsverband verdelen

Als een ondernemer in 2020 maximaal € 323.544 investeert in bedrijfsmiddelen, heeft hij in beginsel recht op de investeringsaftrek voor kleinschalige investeringen (KIA). In een recent arrest heeft de Hoge Raad bepaald hoe deze KIA tussen de deelnemers van een samenwerkingsverband moet worden verdeeld.

Wat is de KIA?
De KIA is een extra tegemoetkoming voor bedrijven die kleinschalig investeren. De KIA bedraagt in 2020 maximaal € 16.307. De KIA loopt vanaf een bepaald investeringsbedrag langzaam af naar nihil als het investeringsbedrag € 323.544 of meer bedraagt.

Welke KIA voor samenwerkingsverband?
Er is al een tijdje discussie over de vraag hoe de KIA moet worden berekend bij een samenwerkingsverband van ondernemers, zoals een vof of maatschap. De wettekst is hier niet helemaal duidelijk over.

In een eerdere uitspraak van het hof Gelderland werd bepaald dat iedere deelnemer in het samenwerkingsverband recht had op een bedrag aan KIA dat gelijk was aan de KIA voor het samenwerkingsverband. De Hoge Raad acht deze uitleg echter niet overeenkomstig de bedoeling van de wetgever.

Toerekenen aan individuele ondernemer
De Belastingdienst rekende ook anders dan volgens de uitspraak van het hof Gelderland zou moeten. De dienst rekende tot nu toe de KIA van het samenwerkingsverband voor een evenredig deel toe aan iedere ondernemer in het samenwerkingsverband. De Hoge Raad is het daarmee eens.

Buitenvennootschappelijke investeringen
Heeft een ondernemer naast een samenwerkingsverband ook nog buitenvennootschappelijke investeringen of andere ondernemingen, dan gelden weer andere regels voor het berekenen van de KIA, aldus de Hoge Raad.


5. Btw-gevolgen voor annuleringen, kortingen en oninbare vorderingen

Vrijwel iedere ondernemer wordt geraakt door de coronacrisis en kan te maken krijgen met klanten die hun financiële verplichtingen niet na kunnen komen. Wat zijn de btw-gevolgen van annuleringen, kortingen en oninbare vorderingen

Btw en annuleringen
Wanneer prestaties niet door kunnen gaan en de btw-ondernemer bedragen aan zijn afnemer terugstort, heeft dit consequenties voor de btw. Welke zijn dit?

Volledige vergoeding teruggestort
Betaalt de btw-ondernemer de volledige vergoeding aan zijn afnemer terug, dan is de btw niet langer verschuldigd. Als de btw bij de eerdere betaling van de vergoeding door de klant bij de Belastingdienst is afgedragen, dan kan de btw-ondernemer de afgedragen btw terugvragen onder de volgende voorwaarden:

  • de afnemer ontvangt een creditfactuur met daarop een negatieve vergoeding en een negatief btw-bedrag, en
  • het risico wordt uitgesloten dat de staat btw-inkomsten misloopt, omdat de afnemer de btw eerder al in aftrek heeft gebracht. Laat de afnemer bijvoorbeeld een verklaring tekenen dat hij de eerder teruggevraagde btw terugbetaalt aan de Belastingdienst.

Deel van overeengekomen vergoeding teruggestort
Voor het deel van de vergoeding dat de btw-ondernemer aan zijn klant terugstort, gelden dezelfde gevolgen en voorwaarden als hierboven genoemd bij terugstorting van de gehele vergoeding. Voor het deel van de vergoeding dat betaald blijft, geldt dat daarover geen btw verschuldigd is, voor zover sprake is van een schadevergoeding. Uit rechtspraak blijkt dat indien een vergoeding deels is betaald, maar de prestatie niet doorgaat zodat de ondernemer schade lijdt, dit een aanwijzing is dat sprake is van een schadevergoeding. In dat geval is geen btw verschuldigd en kan de eventueel al afgedragen btw worden teruggevraagd in de btw-aangifte over het tijdvak waarin de annulering plaatsvindt.

Is geen sprake van een schadevergoeding, dan is er btw over de ontvangen vergoeding verschuldigd. Uit rechtspraak blijkt dat de situatie waarin het gehele bedrag betaald is en de klant niet op komt dagen, de btw-ondernemer een prestatie verricht en geen schade lijdt, zodat wel btw verschuldigd is over de vergoeding.

Let op!
De rechtspraak over de vraag of sprake is van een schadevergoeding is zeer op de betreffende zaken toegespitst en het is lastig om aan te geven wanneer precies wel en wanneer precies niet sprake zal zijn van een schadevergoeding. Het is daarom raadzaam om bij twijfel af te stemmen met de Belastingdienst.

Gehele vergoeding blijft betaald
Voor zover de vergoeding als schadevergoeding is aan te merken, is geen btw verschuldigd. Let op dat ook hierbij geldt dat afstemming met de Belastingdienst raadzaam kan zijn om discussie te voorkomen.

Kortingen
De btw-ondernemer die een korting aan zijn klant verleent, hoeft over het bedrag van de korting geen btw af te dragen. Wanneer de korting vooraf wordt verleend, en dus op de verkoopfactuur staat vermeld, dan wordt in één keer het juiste btw-bedrag berekend en in de btw-aangifte aangegeven.

Wordt de korting achteraf verleend, bijvoorbeeld een korting als gevolg van betaling binnen een bepaalde termijn, dan moet de btw-ondernemer een creditfactuur uitreiken en de btw op de korting terugvragen in de btw-aangifte van het tijdvak waarin de creditfactuur is uitgegeven.

Btw en oninbare vorderingen
Verkoopfacturen die één jaar na het opeisbaar zijn van de vergoeding nog openstaan, worden als oninbaar aangemerkt. De btw moet in de btw-aangifte van het tijdvak waarin de eenjaarstermijn verstreken is, worden teruggevraagd. Is eerder duidelijk dat de factuur niet betaald zal worden, bijvoorbeeld in geval van faillissement van de afnemer, dan kan de btw eerder terug worden gevraagd.


6. Reiskostenvergoeding thuiswerkers blijft onbelast

Vanwege het coronavirus werkt Nederland nog steeds zoveel mogelijk thuis. Een vaste reiskostenvergoeding voor het woon-werkverkeer mag u echter gewoon onbelast doorbetalen. Let op! Voor werknemers die meer dan 75 kilometer van het werk wonen, moet u na afloop van het jaar de uitbetaalde vergoeding herrekenen op basis van het werkelijke aantal kilometers. Voor de periode waarin thuis wordt gewerkt, mag u echter blijven uitgaan van de aangenomen feiten waar de vergoeding op gebaseerd is.


7. Vergoeding kinderopvang uiterlijk in juli uitbetaald

De vergoeding die ouders krijgen vanwege de sluiting van de kinderopvang, wordt uiterlijk in juli van dit jaar uitbetaald. De sluiting is een van de maatregelen ter voorkoming van verspreiding van het coronavirus. De compensatie heeft betrekking op de periode 16 maart tot en met 28 april 2020. Voor de vergoeding wordt aangesloten bij de gegevens van de kinderopvang die op 6 april 2020 bekend waren. De vergoeding wordt rechtstreeks uitbetaald aan de ouders. Zij hoeven hiervoor niets te doen. Ook ouders met een cruciaal beroep die voor hun kind(eren) wel kinderopvang genieten, krijgen compensatie van de eigen bijdrage. Het gebruik van deze noodopvang is namelijk kosteloos.

Herziening en bezwaar
De vergoeding van het kabinet zal soms afwijken van de werkelijk verschuldigde ouderbijdrage. Bij geringe afwijkingen vraagt het kabinet om begrip, bij grotere afwijkingen kunt u bezwaar en beroep instellen.

CONTACT

Laat hier een bericht achter. We nemen zo spoedig mogelijk contact met u op!

Niet leesbaar? Verander tekst. captcha txt